In memoriam Rob Janssen

1932-2019

Op 23 maart j.l. overleed de Pali-vertaler en oud-voorzitter van de stichting Vrienden van het Boeddhisme, emeritus-hoogleraar klinische psychologie en persoonlijkheidsleer, dr. Robert Hubertus Conrardus Janssen, 87 jaar oud. Zijn naam zal onverbrekelijk verbonden blijven aan het boeddhisme in Nederland als vertaler, samen met zijn partner Jan de Breet, van de oerteksten van de leer van de Boeddha, de Pali-Canon.

Prof Rob Janssen

Prof. Rob Janssen

Van huis uit rooms-katholiek raakte hij tijdens een reis door India in 1974 geboeid door het boeddhisme. Hij zocht contact met de Stichting Nederlands Buddhistisch Centrum, de voorganger van onze stichting. Vandaar raakte hij diepgaand betrokken bij het Tibetaanse boeddhisme van de westerse orde Arya Maitreya Mandala, gesticht door de (van oorsprong Duitse) lama Govinda. Zijn intense spirituele aandacht en ook organisatorische interesse en vaardigheden brachten Rob Janssen, naast zijn werk als psychotherapeut en hoogleraar, belangrijke bestuurstaken in de orde AMM en in de Nederlandse stichting. Hij was tientallen jaren voorzitter van de Vrienden van het Boeddhisme.

Na zijn emeritaat aan de Vrije Universiteit in Amsterdam ging hij zich bij prof. dr. T.E. Vetter in Leiden verdiepen in de studie van Sanskriet en Pali. In 2001 verscheen de eerste vertaling uit het Pali, door (in alfabetische volgorde) Jan de Breet en Rob Janssen, van het eerste deel van de enorme Pali-Canon, de oudste bewaard gebleven geschriften van de boeddhistische traditie.
Inmiddels zijn er dertien delen van de Leerredes van de Boeddha verschenen en nog twee delen staan op verschijnen; het laatste deel is in bewerking en zal worden voltooid door Jan de Breet. Een bloemlezing, Aldus sprak de Boeddha, verscheen in 2007.

Bij de uitvaartplechtigheid op 27 maart op de Rhijnhof in Leiden citeerde Jan de Breet uit de inleiding door Rob Janssen op hun vertaling van een vers over de ouderdom, uit de Korte Teksten van de Boeddha:

‘Wanneer men (…) de loop der dingen naar hun wezen gezien heeft, dan klaagt men niet, ook al zou er aanleiding zijn om te klagen: we voelen ons ingebed in een groot kosmisch gebeuren.’ (JdB)

Van misdienaar tot boeddhist

Jacques den Boer

Onderstaand interview met Rob Janssen verscheen in het Kwartaalblad Boeddhisme, jrg.1, nr.4, zomer 1996.

In een goed-katholiek Delfts gezin van Limburgse afkomst lag het voor de hand dat zoontje Rob misdienaar was in de parochiekerk. ‘Ik was zeer gelovig. Ik vond erediensten mooi. Toen ik zo’n jaar of tien was, wilde ik wel priester worden. Een oom was provinciaal van de orde der Camillianen, met kloosters in Vaals en Roermond. Die heeft dat misschien wel een beetje aangemoedigd.’

De katholieke opvoeding stokte door de Tweede Wereldoorlog. In 1943 was het katholieke gymnasium van de Franciscanen in Rotterdam voor kinderen uit Delft onbereikbaar. Rob ging naar het Stedelijk Gymnasium. ‘Een volstrekt heidense omgeving. In de eerste klas, toen er over Griekse en Romeinse mythen werd gesproken, zei de lerares: “Dat is natuurlijk allemaal uit de duim gezogen, die verhaaltjes, net als alle godsgeloven.” Dat was een geweldige shock voor me.’

‘Toen ik vijftien was, lazen we Cicero, Somnium Scipionis, De droom van Scipio, een filosofisch tractaat, dat me fascineerde. Ik maakte toen kennis met de antieke godsdienst en merkte dat het christendom eigenlijk een zeer beperkte visie was. Ik kreeg een boek in handen, Plato en zijn betekenis voor onze tijd van dr. H. Groot, waarin een vergelijking werd gemaakt tussen Plato, die we op school lazen, en de Indische wijsbegeerte. Mijn religiositeit is toen veel wijder geworden.

Bovendien had ik een leraar Grieks, dr. de Vreese, die privaat-docent Pali in Leiden was. Hij gaf afleidingen van Griekse werkwoorden naar het Indogermaans en Sanskriet. Ik kan me goed herinneren dat hij uitlegde waar het woord Boeddha vandaan kwam. In die tijd heb ik op de markt een klein boeddhabeeldje gekocht, voor één gulden. Dat heb ik heel lang altijd bij me gehad.

In het laatste schooljaar las ik ook al de Bhagavadgita. Over deze dingen sprak ik thuis niet, daar speelde dat geen rol. Ook niet met m’n oom, als die eens op bezoek kwam. Hij wist wel van mijn filosofische interesse. Hij zei altijd: ‘Denk er wel om: “Philosophia ancilla theologiae!”, de filosofie is de dienstmaagd van de theologie.

En mijn vriendjes waren niet in religie geïnteresseerd, behalve één, Gijs Dingemans, die is later hoogleraar theologie geworden. Ik zat op de katholieke padvinderij. Het was een soort dubbelleven: in het weekend in de katholieke wereld, door de week onder de heidenen. Ik switchte daar gemakkelijk tussen.

Mijn ouders waren heel tolerant. Mijn moeder was Nederlands-hervormd gedoopt, remonstrants aangenomen en katholiek getrouwd. Haar moeder, mijn grootmoeder, was een zeer religieuze vrouw die zei: ‘Alle geloven zijn hetzelfde; er is maar één God.’ Mijn vader was directeur van een paar bioscopen en hij had een technisch bureau en een fabriek voor geluidsplaten om stomme films te begeleiden. Hij wilde dat ik techniek ging studeren in Delft. Maar toen het psychologie werd, vond hij dat ook best, als ik er plezier in had – een geweldig aardige man.

Ik had het liefst filosofie willen studeren, maar daar zat helemaal geen brood in. Psychologie kwam het dichtst bij wat me interesseerde: het menselijk bewustzijn, het fenomeen mens en de zelfreflectie. Mijn leraren hadden me voorbestemd voor de oriëntalistiek of klassieke talen. Psychologie vonden ze een schande, dat was geen vak.

In Leiden, vanaf 1949, waren er ook twee werelden. Ik had vrienden uit de psychologie, maar ook uit de katholieke beweging, de studentenvereniging Sanctus Augustinus. We zijn voor het Heilig Jaar naar Rome geweest, vreselijk leuk. En de hoogleraar psychologie, Chorus, was ook katholiek, uit Limburg, zijn moeder was een nicht van een tante van mij…

Bij mijn mede-studenten was ik er wel berucht om dat ik te pas en te onpas de Indische religiositeit ter sprake bracht. Ik had Sierskma ontmoet, de godsdienstwetenschapper. Die maakte me attent op Vestdijk, die in zijn De Toekomst der Religie schreef dat hij de Boeddha de grootste psycholoog aller tijden vond. Door hem ben ik de boeddhistische geschriften gaan lezen, daarvóór was ik nog op de hindoeïstische toer.

Met het praktische boeddhisme ben ik op een merkwaardige manier in aanraking gekomen. Op een ochtend, in 1973, toen ik me aan het aankleden was, stond de radio aan. Er werd een boeddhistische monnik geïnterviewd. Dat was Jinamitto, uit Indonesië, die in Amsterdam bleek te wonen, in de Sarphatistraat, het huisnummer werd erbij genoemd, ik geloof 121.

Daar ben ik naartoe gegaan en ik werd heel vriendelijk ontvangen. Van hem heb ik mijn eerste meditatie-onderricht gekregen, zittend aan zijn voeten, samen met Piet Krul, nu bekend als de eerwaarde Dhammawiranata. Ik ben er geregeld heen gegaan, ook toen Jinamitto was opgevolgd door Sumangalo.

De jaren daarvoor had ik me helemaal op mijn werk geconcentreerd. In 1957 ben ik in Leiden afgestudeerd. Ik heb er vrij lang over gedaan omdat ik vanaf ’53 halftime werkte als assistent van professor Chorus. Ik kreeg een persoonlijke opleiding, werkte in de concrete praktijk en gaf ook colleges. Ik dacht eigenlijk niet meer aan afstuderen tot Chorus zei: nu moet je maar eens doctoraal doen. Toen heb ik me er een aantal maanden ingegooid.

Ik ben nog twee jaar bij Chorus gebleven en toen gaan werken in Schakenbosch, destijds de psychiatrische inrichting Hulp en Heil, in Leidschendam. Met mijn chef, Plokker, trof ik het daar ongelooflijk. Hij was heel erg geïnteresseerd in oosterse religiositeit, was een vriend van Sierskma. Diens boek Freud, Jung en de religie kwam vaak ter sprake als we ’s ochtends onder de koffie zaten te praten, een beetje tot ongenoegen van de rest van de staf.

Daar heb ik dertien jaar gewerkt, maar halftime. Professor J.H. van den Berg was in Leiden begonnen met een opleiding klinische psychologie en hij vond dat ik studenten moest opleiden in het ziekenhuis (Schakenbosch) in de klinische praktijk. Zo was ik stage-supervisor en aan het eind van de week gaf ik colleges in Leiden. Mijn werkzaamheden in Leiden en Leidschendam overlapten elkaar.

Door Plokker kwam ik ook wel bij Sierskma thuis. Wij analyseerden vaak tekeningen van psychiatrische patiënten. Sierksma zag daar allerlei archetypen in. Plokker was eigenlijk een jungiaan. Hij heeft een boek over de tekeningen van patiënten geschreven. Toen hij het aan professor Rümke, psychiater in Utrecht, liet lezen, zei die: ‘Een fantastisch boek. Nu heb je eindelijk je proefschrift geschreven.’ Zo had Plokker het helemaal niet bedoeld, maar hij is er toch op gepromoveerd en later de opvolger van Rümke geworden.

In het voorwoord kondigde Plokker aan dat een exact, statistisch onderzoek van tekeningen van psychiatrische patiënten volgens psychologische methoden zou worden gedaan door mij! Toen zat ik eraan vast. Ik heb honderden tekeningen verzameld, volgens een gestandaardiseerde methodiek, iedereen moest een huis, een boom en een mens tekenen.

Een geweldig werk, heel exact, alles geanalyseerd volgens twintig of dertig variabelen. Ik moest leren programmeren, zelf computerprogramma’s schrijven. Het was in de jaren zestig. Wat je nu in twee minuten berekent, kostte mij uren. Hele nachten zat ik in het Centraal Rekeninstituut van de universiteit. In 1970 ben ik gepromoveerd, bij Chorus. Het boek heette Expressie in tekeningen en abnormaal gedrag.

Twee jaar later ben ik fulltime aan de Jelgersmakliniek in Oegstgeest gaan werken, bij prof. Bastiaans. Daar deed ik psychofysiologisch onderzoek: het meten van allerlei lichamelijke veranderingen onder invloed van emoties, in relatie tot de persoonlijkheidsstructuur. Wij deden ook onderzoek naar de effecten van psychofarmaca. Therapie ben ik er altijd bij blijven doen, ook nu nog.

In 1978 werd ik aan de Vrije Universiteit hoogleraar in de klinische psychologie en persoonlijkheidsleer. De nadruk lag op psychosomatisch onderzoek, bijvoorbeeld naar het effect van gedragstherapie op lage rugpijn. Door een bezuinigingsronde van de overheid ben ik op een gegeven moment weggegaan. Dat had zijn voor en zijn tegen. Het werk met promovendi miste ik het meest. Maar er kwam meer tijd voor het boeddhisme en voor studie van Pali en later Sanskriet. Ik neem de dingen zoals ze komen.

Ik weet niet meer hoe, maar in 1974 hoorde ik over de voorloper van onze huidige stichting, de Stichting Nederlands Buddhistisch Centrum. Daardoor ben ik in contact gekomen met de orde Arya Maitreya Mandala (AMM), gesticht door lama Govinda. Ik was wel met Theravada begonnen, maar Tibetaans boeddhisme trok me ook, misschien door het werk van C.G. Jung. Het maakte me niet zoveel uit. Ik heb nooit gehouden van sektarisme.

In dat jaar was ik naar India gegaan. Sarnath, een van de belangrijkste boeddhistische perlgrimsplaatsen, was prachtig, een heerlijke sfeer. Toen dacht ik: ja, hier moet ik toch verder werk van maken. Ik heb me min of meer boeddhist gevoeld vanaf Sarnath, waar de Boeddha zijn eerste preek hield, aan de bron. Een mooi punt om te beginnen!

Het Vajrayana van de AMM sprak me aan omdat het psychologisch is, denk ik. Het was een leuke groep mensen. Elke maand kwamen we bijeen bij mevrouw Perk in Den Haag. Toen de enige twee Nederlandse ordeleden, dominee Berghuis en mevrouw Perk, zich te oud gingen voelen om leiding aan de groep te geven, dreigde de Nederlandse afdeling te worden opgeheven.

Uit Berlijn kwam een ordelid, Maitreya, eigenlijk Lionel Stützer, om de zaak te regelen. Ik heb hem rondgeleid door Leiden en ben enorm onder de indruk van hem geraakt. Hij had een heel bijzondere uitstraling. Hij was een leerling van Tao Chün, een Duitser die in China had gezeten. Geen dogmaticus, meer Zen-achtig dan Vajrayana, heel nuchter en heel humoristisch, een geweldige man.

Door hem werd ik enthousiast voor de orde en hij is mijn kalyâna-mitra geworden, mijn leraar. Ik heb de driejarige opleiding gevolgd, ging geregeld naar Duitsland, naar Roseburg, een heel klein dorpje ten oosten van Hamburg. Het ‘Exerzitium’ van de AMM werd gehouden op een mooi landgoed, midden in de bossen. Ik heb er de beste herinneringen aan.

In 1976 werd ik ordelid. Ik ben daarna een paar keer naar Amerika geweest, waar ik lama Govinda heb ontmoet. Ik had hem ook een keer in Europa meegemaakt. Een groot man, zeer indrukwekkend, niet alleen schrijver van goede boeken, maar een pracht mens. Zijn vrouw was ook erg aardig.

Na zijn dood is zijn opvolger, dr. K.-H. Gottmann, de AMM gaan veranderen: centralisatie, efficiëntie. De landelijke broederschappen verloren hun autonomie, terwijl lama Govinda juist voor diversiteit was. In Nederland, waar wij een aardige groep bij elkaar hadden, vonden wij dat niet leuk, evenmin als de Oostenrijkers. Wij hebben ons afgescheiden. Er is een stichting Milinda, we hebben een aantal ‘virtuele’ leden en zijn vertegenwoordigd in de Boeddhistische Unie van Nederland.

De Stichting Vrienden van het Boeddhisme zie ik daarnaast als een gelegenheid om mensen kennis te laten maken met het boeddhisme, een soort receptie-desk, zonder een bepaalde stroming voorrang te geven. Er is een groot aantal mensen dat niet de verplichtingen van een groepering wil aangaan.

Sommigen zeggen: de goeroe moet het voor het zeggen hebben, maar ik geloof dat het niet zo bij de westerse mentaliteit past; ik denk dat je mensen moet aanmoedigen tot eigen onderzoek. Ik sta een liberale houding voor.

Een nadeel is misschien dat je niet grondig kennismaakt met het boeddhisme. Maar een vrije, onderzoekende geest is juist heel belangrijk. Het heeft wel zijn waarde om één keer heel diep in een bepaalde richting door te dringen, een heel intensieve training te doen. Dan hou je over wat voor jezelf waardevol is. Ik doe bijvoorbeeld elke dag een kleine puja en gebruik bepaalde meditatietechnieken die ik in de AMM heb geleerd.

Ja, wat zocht ik in het boeddhisme? Toch misschien een alternatief voor het christendom. Ik was een te modern, wetenschappelijk mens om te kunnen geloven in een persoonlijke god en in Christus die uit de dood is opgestaan, letterlijk. Ik begrijp dat protestanten dat nu allemaal veel symbolischer opvatten. Zoals Van Peursen, een zeer gerespecteerd filosoof aan de VU, zei: ‘Als je op paasmorgen een camera had neergezet bij het graf van Christus, dan had je er op de film echt niet iemand uit zien komen.’ Nou, dat is voor katholieken nog steeds pure ketterij, dat moet je gelóven.

De Middeleeuwers spraken over een ‘animal naturaliter religiosa’, dat ben ik een beetje. Ik heb nooit genoegen kunnen nemen met een puur materialisme. En ik heb van jongsaf die merkwaardige affiniteit gehad met de Indische filosofie, geconditioneerd – zoals volgens de Boeddha alles geconditioneerd is – door mijn jeugdervaringen, met die leraren die oriëntalist waren. Het is een keten van gebeurtenissen waar ik verder geen diepere grond voor zie.

Van de filosofische interesse ben ik afgedaald naar de concrete werkelijkheid: hoe functioneert de menselijke geest? Daar kun je via de psychologie toegang toe vinden en ook via de boeddhistische meditatie.

Vooral het concept verlichting heeft mij aangesproken, omdat daarin tot uitdrukking wordt gebracht het heel maken van de menselijke geest, die op de een of andere manier toch gebroken is, als je al het leed om je heen ziet, in de wereld en in de individuele mens. De gebrokenheid van de mens kan in principe geheeld worden. Ik weet zeker dat het mogelijk is. Ik geloof dat je als boeddhist daaraan kunt werken bij jezelf en als psychotherapeut bij anderen. Dat ligt dus voor mij op één lijn.’

Jacques den Boer

Jacques den Boer

.

Alle artikelen