Namen in Pāli teksten: de korte en de lange –a

Over diakrieten

De letter ā bestaat niet in het Nederlands, maar wel in het Pāli. Een lengtestreepje (Eng. macron) boven de letter a maakt van die a een andere letter: omdat we hem niet kennen, zien we hem soms niet. De consequentie kan groot zijn, want het streepje kan het verschil maken tussen een man en een vrouw.

Mannelijk en vrouwelijk

In vrijwel elke taal bestaan er jongens- en meisjesnamen die met elkaar verwant zijn of erg op elkaar lijken. In het Nederlands Johan en Johanna, Peter en Petra om er twee willekeurige te noemen. In het Pāli is het niet anders: Nanda (man) en Nandā (vrouw), Sujāta (man) en Sujātā (vrouw), etc. Omdat in het Nederlands de letter ā niet bestaat, is het heel gemakkelijk het verschil over het hoofd te zien, en dan ligt verwarring op de loer – zeker omdat in het Nederlands namen die eindigen op een –a (vrijwel) altijd vrouwelijk zijn.
Als voorbeeld twee namenparen, met een korte beschrijving van hun voorkomen in de Pali-Canon: Dhammadinna en Dhammadinnā, Visākha en Visākhā.

 

De man Dhammadinna

In SN 55.53 is er sprake van de lekenvolgeling Dhammadinna. Deze Dhammadinna gaat in dit Sutta naar de Boeddha toe en vraagt om Dhamma-onderricht. De Boeddha antwoordt hem, dat hij de leerredes over de Leegte moet bestuderen en erover moet contempleren. Dhammadinna geeft ten antwoord dat dat te moeilijk is als je een huishouden draaiend moet houden, met kinderen om je heen en werk dat gedaan moet worden. De Boeddha zegt hem dan dat het voldoende is om te vertrouwen op de Boeddha, de Dhamma en de Sangha, en daarnaast zich te houden aan de morele leefregels die de Boeddha heeft gegeven. Dhammadinna geeft aan dat hij dit al doet. De Boeddha antwoordt dat dat geweldig is en dat hij de conclusie trekt dat Dhammadinna hierdoor al tot het niveau van een stroombetreder is gekomen.

 

De vrouw Dhammadinnā en haar man Visākha

Deze Dhammadinna is dus een andere dan Dhammadinnā, met een lange a. Dhammadinnā was de vrouw van Visākha, een rijke koopman uit Rājagaha, de hoofdstad van Magadha. Deze Visākha vergezelde koning Bimbisāra toen die een bezoek aan de Boeddha bracht – het was de eerste keer na zijn Verlichting dat de Boeddha Rājagaha aandeed. Bij het aanhoren van de Boeddha werd Visākha meteen een stroombetreder, en snel daarna een eenmaal-terugkeerder en een niet-meer-terugkeerder .

Visakha wijst de avances van zijn vrouw Dhammadinna af

Visakha wijst de avances van zijn vrouw Dhammadinna af

Na het bereiken van dat stadium veranderde het gedrag van Visākha richting zijn vrouw, en toen zij naar de reden vroeg, legde hij uit dat de oorzaak gelegen was in het onderwijs van de Boeddha. Hij bood haar al zijn rijkdom, en de vrijheid te doen wat zij wilde. Dhammadinnā besloot daarop om non te worden. Dat vond koning Bimbisāra zo bewonderenswaardig dat hij de stedelingen de opdracht gaf de stad te versieren ter ere van haar, en hij liet haar in een gouden draagstoel naar het klooster dragen – op zich een heel apart geschenk voor iemand die net heeft besloten al haar wereldse rijkdommen achter zich te laten!

Dhammadinna wordt in een gouden palankijn naar het klooster gedragen

Dhammadinna wordt in een gouden palankijn naar het klooster gedragen

Dhammadinnā ontpopt zich als een getalenteerde Dhamma-lerares. AN 1:239 begint met de volgende uitspraak van de Boeddha: ‘Monniken, de belangrijkste van mijn leerlingen, mijn nonnen die over de Dhamma spreken, is Dhammadinnā.’ Als Dhammadinnā het arahatschap heeft bereikt, keert zij terug naar Rājagaha om de Boeddha te eren. Als haar man Visākha hiervan hoort, zoekt hij haar op en stelt haar allerlei vragen over de Dhamma, die ze met gemak beantwoordt . Als hij verslag uitbrengt aan de Boeddha over dit gesprek, prijst de Boeddha Dhammadinnā’s grote inzicht en welsprekendheid (MN 44).

 

De vrouw Visākhā

Er is dus een Dhammadinna, en een Dhammadinnā, maar behalve Visākha is er ook een Visākhā. Dit is, de lange –a op het einde van de naam geeft dit aan, een vrouw. Visākhā was een lekenvolgelinge van de Boeddha, en wordt door hem zelfs de belangrijkste weldoenster onder zijn lekenvolgelingen genoemd . Ze smeekte de Boeddha om het voorrecht om levenslang bepaalde schenkingen aan de Sangha te mogen doen. Die toestemming kreeg ze voor de volgende acht zaken: het schenken van kleding aan de monniken en nonnen voor de regentijd, voedsel als zij de stad Sāvatthi in of uitgingen, voedsel voor zieken en ziekenverzorgers, medicijnen, rijstegruwel voor iedereen in de Sangha die dat nodig had, en badkleding voor de nonnen. Maar dit was Visākhā nog niet genoeg, en hier is een bruggetje te maken met de gift van koning Bimbisāra aan Dhammadinnā. Vrijgevigheid is de allereerste aanbeveling voor een boeddhistische lekenvolgeling. En vrijgevigheid is goed, maar vrijgevigheid jegens de Sangha is het beste. Dit heeft gedurende de hele geschiedenis van het boeddhisme geleid tot situaties waar het gaat schuren: Dhammadinnā geeft haar rijkdommen op en koning Bimbisāra laat haar in een gouden draagstoel toejuichen. De Boeddha is de thuisloosheid ingetrokken en Visākhā blijft hem maar geschenken brengen. Hoe heiliger iemand is, hoe meer mensen hem of haar eer willen bewijzen met geschenken. Er komt zelfs een punt, dat de Boeddha een deel van de geschenken van Visākhā afwijst: als ze hem een kommetje, een bezem en een voetschraper komt brengen, weigert hij die voetschraper, en verbiedt zijn monniken iets anders te gebruiken dan een potscherf, een steen of een stuk meerschuim om hun voeten te verzorgen.

Er is een behoorlijk aantal sutta’s waarin de Boeddha zich tot Visākhā richt. In een daarvan legt hij uit hoe de ideale huisvrouw eruit ziet (AN 8:49). Dit sutta geeft een goed beeld van de rechten en plichten van een rijke vrouw als hoofd van de huishouding in de tijd van de Boeddha. Dat de Boeddha haar werkelijk hoog achtte, is te lezen in AN 8:43. Dit sutta is namelijk vrijwel een kopie van een les die de Boeddha aan zijn monnikengemeenschap geeft – Visākhā krijg dus dezelfde lessen als de monniken. In de Udāna komt Visākhā ook verschillende keren voor. Een aangrijpend verhaal is dat, waarin Visākhā naar de Boeddha gaat, om troost te vinden na de dood van haar kleinkind. Hij legt haar uit, hoe verdriet onvermijdelijk is als iemand je dierbaar is.

Bronnen:

foto’s: https://www.photodharma.net/index.htm

gebruikte vertalingen van de Breet, Jan, & Janssen, Rob:
– Pali-canon – Sutta Pitaka 2 – Majjhima-Nikaya 1 De eerste vijftig leerredes (Mulapannasa) (1ste editie). uitgeverij Bodhi, 2004.
– Pali-canon – Sutta Pitaka 9 – Samyutta-Nikaya 5-het grote deel (Maha-Vagga) (1ste editie). uitgeverij Bodhi, 2013
– Pali-canon – Sutta Pitaka 10 – Anguttara-Nikaya 1 Het boek van de enen; het boek van de tweetallen; het boek van de drietallen (Ekaka-, Duka-, Tika-nipata)(1ste editie). uitgeverij Bodhi, 2016.
-Pali-canon – Sutta Pitaka 13 – Anguttara-Nikaya 4 Het boek van zeven-, acht- en negentallen (Sattaka-, Atthaka-, Navaka-Nikaya). (1ste editie). uitgeverij Bodhi, 2019.

Malalasekera, G. P. Dictionary of Pali Proper Names. New Delhi, India: Munshiram Manoharlal, 1998.

Yvon Mattaar

Yvon Mattaar

.

Alle artikelen