Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - lente 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Het Diamant-sūtra  •  Vesali-sutta  •  Godhika-sutta  •  Channa-sutta  •  Vakkali-sutta  •  Aṅgulimāla-sutta
Siṅgālovāda-sutta

Aṅgulimāla-sutta MN II 97-105

Uit: Jan de Breet en Rob Janssen (vert.), Majjhima-Nikāya – De verzameling van middellange leerredes, deel 2, Asoka, Rotterdam, 2004, pp. 359-368

86. De ontmoeting met Aṅgulimāla

ALDUS HEB IK GEHOORD.
1. Eens verbleef de Verhevene in Sāvatthi, in het Jetavana, het park van Anāthapiṇḍika.
2. In die tijd was er een rover, genaamd Aṅgulimāla, in het koninkrijk Kosala van koning Pasenadi. Hij was wreed, met bloed aan zijn handen, overgegeven aan moord en doodslag en kende geen mededogen met levende wezens. Dorpen, markstadjes [98] en landstreken werden door hem ontvolkt. Hij vermoordde herhaaldelijk mensen en hij droeg een krans van hun vingers.
3. Toen dan kleedde de Verhevene zich vroeg in de morgen, nam bedelnap en mantel en ging Sāvatthi in om voedsel te bedelen. Nadat hij zijn bedelronde in Sāvatthi gedaan had, na het eten teruggekeerd van de bedelronde ruimde hij zijn slaapplaats op, nam bedelnap en mantel en ging langs de hoofdweg op weg naar de rover Aṅgulimāla. Koeherders, schaapherders, boeren en reizigers zagen de Verhevene langs de hoofdweg op weg naar de rover Aṅgulimāla. Daarop zeiden ze het volgende tot hem: ‘Neem deze weg niet, asceet! Op deze weg bevindt zich de rover Aṅgulimāla! Hij is wreed, met bloed aan zijn handen, overgegeven aan moord en doodslag en kent geen mededogen met levende wezens. Dorpen, markstadjes en landstreken worden door hem ontvolkt. Hij vermoordt herhaaldelijk mensen en hij draagt een krans van hun vingers. Langs deze weg reizen mensen altijd in groepen van tien, van twintig, van dertig of zelfs van veertig mensen en zelfs dan vallen zij in de handen van de rover Aṅgulimāla!’ Op die woorden ging de Verhevene zwijgend verder.
Een tweede en een derde keer waarschuwden die mensen hem, maar de Verhevene vervolgde zwijgend zijn weg.
4. Aṅgulimāla zag de Verhevene van verre aankomen. Toen hij hem zag, dacht hij: ‘Hoe wonderlijk, hoe buitengewoon! Langs deze weg reizen mensen altijd in groepen van tien, van twintig, [99] van dertig, van veertig of zelfs van vijftig mensen en zelfs dan vallen zij in mijn handen. Maar deze asceet komt, doelbewust lijkt me, alleen, zonder begeleiding. Als ik hem nu eens van zijn leven zou beroven!’ Toen dan nam Aṅgulimāla zijn zwaard en schild, omgordde zich met boog en pijlkoker en ging vlak achter de Verhevene lopen.
5. Daarop oefende de Verhevene zo’n wonderkracht uit dat Aṅgulimāla, die met inspanning van al zijn krachten liep, de Verhevene, die met normale snelheid liep, niet kon inhalen. Toen dan dacht Aṅgulimāla het volgende: ‘Hoe wonderlijk, hoe buitengewoon! Vroeger kon ik een rennende olifant inhalen en grijpen, een rennend paard inhalen en grijpen, een voortsnellende wagen inhalen en grijpen en een rennend hert inhalen en grijpen, maar deze asceet, die met normale snelheid loopt, kan ik met inspanning van al mijn krachten lopend niet inhalen!’ Hij stond stil en riep tegen de Verhevene: ‘Sta stil, asceet, sta stil, asceet!’
‘Ik sta stil, Aṅgulimāla. Sta jij ook eens stil!’
Toen dan dacht Aṅgulimāla: ‘Deze asceten die volgelingen zijn van de Sakyazoon, spreken de waarheid, hun beweringen zijn waar. Maar toch zegt deze asceet terwijl hij loopt: “Ik sta stil, Aṅgulimāla. Sta jij ook eens stil!” Als ik hem nu eens een vraag zou stellen?’
6. Toen dan sprak de rover Aṅgulimāla de Verhevene in verzen toe:

‘Asceet, lopend zeg je: “Ik sta stil” en van mij
zeg je dat ik niet stilsta, terwijl ik wel stilsta.
Ik leg je deze vraag voor: “Hoe kan het
dat jij stilstaat en ik niet stilsta?"’ (1)

‘Aṅgulimāla, ik sta stil omdat ik voor altijd
tegen alle wezens geweld heb afgezworen.
Maar jij houdt je niet in tegen levende wezens.
Daarom sta ik stil en sta jij niet stil.’ (2) [100]

‘Ach, ten lange leste is deze asceet, een vereerde
grote wijze mij in het Grote Bos verschenen.1
Nu zal ik na lange tijd het kwaad opgeven,
na uw verzen over de Dhamma gehoord te hebben.’ (3)

Zo sprekend wierp de rover zijn zwaard en wapens
in een kuil, in een afgrond, in een ravijn.
De rover vereerde de voeten van de Gezegende.
Ter plekke verzocht hij hem om opname in de Orde.2 (4)

En de Boeddha, de mededogende, de grote wijze,
die de leraar is van de wereld inclusief de goden,
zei toen tot hem: ‘Kom, monnik!’
Hiermee verkreeg hij het monnikschap.3 (5)

7. Toen dan aanvaardde de Verhevene met Aṅgulimāla achter zich aan de terugtocht naar Sāvatthi. In etappes reizend bereikte hij uiteindelijk de stad. Daar in Sāvatthi verbleef de Verhevene in het Jetavana, het park van Anāthapiṇḍika.
8. In die tijd had zich bij de poort van het paleis van koning Pasenadi van Kosala een grote menigte verzameld, die een groot lawaai, een enorm krakeel maakte: ‘Sire, er is in uw rijk een rover, Aṅgulimāla genaamd. Hij is wreed, met bloed aan zijn handen, overgegeven aan moord en doodslag en kent geen mededogen met levende wezens. Dorpen, markstadjes en landstreken worden door hem ontvolkt. Hij vermoordt herhaaldelijk mensen en draagt een krans van hun vingers. Sire, u moet hem tegenhouden!’
9. Toen dan ging koning Pasenadi midden op de dag met vijfhonderd paarden weg uit Sāvatthi en begaf zich naar het park. Hij ging met zijn wagen zover als het terrein het toeliet, steeg ervan af en liep te voet naar de Verhevene. Bij hem gekomen [101] groette hij hem eerbiedig en zette zich terzijde neer. Toen hij terzijde gezeten was, sprak de Verhevene de volgende woorden tot hem: ‘Wat is er aan de hand, majesteit? Is de koning van Magadha, Seniya Bimbisāra, boos op u, of de Licchāvi’s van Vesāli of andere vijandige koningen?’
10. ‘Nee, Heer, dat is niet het geval. Er is een rover in mijn rijk, Aṅgulimāla genaamd. Hij is wreed, met bloed aan zijn handen, overgegeven aan moord en doodslag en kent geen mededogen met levende wezens. Dorpen, markstadjes en landstreken worden door hem ontvolkt. Hij vermoordt herhaaldelijk mensen en draagt een krans van hun vingers. Heer, ik kan hem niet tegenhouden!’
11. ‘Majesteit, als u zou zien dat Aṅgulimāla hoofd- en baardhaar had afgeschoren, de gele gewaden had omgelegd en “uit het huis de thuisloosheid in was getrokken”; dat hij zich onthield van het doden van levende wezens, van nemen wat niet gegeven is en van liegen; dat hij slechts eenmaal per dag at, celibatair leefde, deugdzaam was en goed van karakter – wat zou u dan met hem doen?’ ‘We zouden hem begroeten, Heer, voor hem opstaan, hem een zetel aanbieden, hem de rekwisieten, zoals kleding, voedsel, onderkomen en medicijnen tegen ziekte, aanbieden of een wettig vrijgeleide en protectie voor hem regelen. Maar hoe zou iemand die slecht van gedrag en slecht van karakter is zo’n beheersing in gedrag kunnen ontwikkelen?’
12. Op dat moment zat de eerwaarde Aṅgulimāla niet ver van de Verhevene. Toen dan strekte de Verhevene zijn rechter arm uit en sprak tot koning Pasenadi van Kosala: ‘Dit, majesteit, is Aṅgulimāla!’
Daarop werd koning Pasenadi door vrees bevangen, hij verstijfde en de haren rezen hem te berge. Toen dan, toen de Verhevene bemerkte dat de koning bang was, opgeschrikt was en de haren hem te berge rezen, zei hij het volgende tegen hem: ‘Vrees niet, majesteit, vrees niet, majesteit! Van zijn kant valt niets te vrezen voor u.’
Toen dan bedaarde bij koning Pasenadi de angst [102], week de verstijving en kalmeerde hij. Hij ging naar Aṅgulimāla toe en zei tegen hem: ‘Edele Heer, bent u werkelijk Aṅgulimāla?’
‘Ja, majesteit.’
‘Heer, van welke familie is uw vader? En van welke familie is uw moeder?’
‘Mijn vader is een Gagga, majesteit, en mijn moeder is een Mantāṇῑ.’
‘Laat de heer Gagga Mantāṇῑputta zich verheugen! Ik zal mijn best ervoor doen dat u de rekwisieten, te weten kleding, voedsel in de bedelnap, onderkomen en medicijnen tegen ziekte krijgt.’
13. In die tijd nu leefde de eerwaarde Aṅgulimāla in de wildernis, at hij gebedeld voedsel, droeg hij lompen en kleedde hij zich slechts met drie gewaden.4 Hij antwoordde de koning: ‘Dank u, majesteit. Ik heb al drie gewaden.’ Toen dan ging koning Pasenadi naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen groette hij hem eerbiedig en zette zich terzijde neer. Terzijde gezeten sprak koning Pasenadi de volgende woorden tot de Verhevene: ‘Hoe wonderlijk, Heer, hoe buitengewoon is het dat u een temmer bent van de ongetemden, een kalmeerder van de rustelozen, dat u degenen die het uiteindelijke nirvana nog niet bereikt hebben tot uiteindelijk nirvana brengt. Degene die wij niet konden temmen met de stok noch met het zwaard, die is door de Verhevene zonder stok en zonder zwaard getemd! En nu, Heer, moeten wij gaan. Wij hebben nog veel verplichtingen en nog veel te doen.’
‘Doet u, majesteit, waarvoor u denkt dat de tijd gekomen is.’ Daarop stond koning Pasenadi op van zijn zetel, groette de Verhevene eerbiedig, draaide rechts om hem heen en vertrok.
14. Toen dan, toen de eerwaarde Aṅgulimāla zich vroeg in de morgen gekleed had, ging hij met bedelnap en mantel Sāvatthi in voor de bedelronde. Terwijl hij in Sāvatthi van deur tot deur ging om voedsel, zag hij een vrouw die in barensnood verkeerde, wier vrucht dreigde te sterven. Toen hij dat zag, [103] dacht hij: ‘Ach, wat moeten de wezens toch lijden! Ach, wat moeten de wezens toch lijden!’ Toen dan, toen de eerwaarde Aṅgulimāla in Sāvatthi om voedsel rondgegaan was, na de maaltijd teruggekeerd van de bedelronde ging hij naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen groette hij hem eerbiedig en zette zich terzijde neer. Terzijde gezeten vertelde hij de Verhevene wat hij gezien had.
15. ‘Ga dan, Aṅgulimāla, naar Sāvatthi en zeg tegen die vrouw: “Sinds mijn geboorte, zuster, herinner ik mij niet opzettelijk een levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge deze waarheid jou en jouw vrucht tot heil strekken!”’ ‘Maar dat, Heer, zou een bewuste leugen zijn! Want ik heb vele levende wezens opzettelijk van het leven beroofd!’
‘Ga dan, Aṅgulimāla, naar Sāvatthi en zeg tegen die vrouw: “Sinds ik in edele geboorte herboren ben, zuster, herinner ik mij niet opzettelijk een levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge deze waarheid jou en jouw vrucht tot heil strekken!”’
‘Goed, Heer’, antwoordde Aṅgulimāla de Verhevene instemmend en ging naar Sāvatthi toe. Daar aangekomen zei hij tegen die vrouw: “Sinds ik in edele geboorte herboren ben, zuster, herinner ik mij niet opzettelijk een levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge deze waarheid jou en jouw vrucht tot heil strekken!” Daarop keerde de situatie voor de vrouw en de vrucht ten goede.
16. Toen dan bereikte de eerwaarde Aṅgulimāla alleen, in afzondering levend, met niet aflatende ijver en energie het onovertroffen einddoel van het heilige leven, waarvoor zonen van goede familie terecht van huis de thuisloosheid intrekken, het al in dit leven zelf ontdekkend en realiserend, en verbleef erin. Hij besefte: ‘Vernietigd is geboorte, geleefd is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden, er is niets meer [104] wat tot terugkomst hier leidt.’ En zo werd de eerwaarde Aṅgulimāla een van de heiligen (arahats).
17. Op een keer, toen de eerwaarde Aṅgulimāla zich vroeg in de morgen gekleed had, ging hij met bedelnap en mantel Sāvatthi in voor de bedelronde. Bij die gelegenheid wierp iemand een aardkluit en raakte het lichaam van de eerwaarde Aṅgulimāla. Een ander wierp een stok en raakte zijn lichaam. Weer een ander wierp grind en raakte zijn lichaam. Daarop ging hij met verwond hoofd waar het bloed langsstroomde, met gebroken bedelnap, met verscheurde mantel naar de Verhevene toe. Deze zag hem van verre aankomen en zei tegen hem: ‘Verdraag het, brahmaan! Verdraag het, brahmaan! Je ervaart nu in dit leven de vrucht van de daden waarvoor je [anders] vele jaren, vele honderden jaren, vele duizenden jaren in de hel gekweld zou worden.’
18. Toen dan, toen hij zich teruggetrokken had in afzondering, ervoer de eerwaarde Aṅgulimāla het geluk van de bevrijding en hij deed op dat moment deze plechtige uitspraak:

‘Wie vroeger in een roes verkeerde,
maar later tot bezinning kwam,
hij verlicht deze wereld,
als de van wolken vrije maan. (6)

Wiens gepleegde slechte daden
door goede worden toegedekt,
hij verlicht deze wereld,
als de van wolken vrije maan. (7)

De jonge monnik die zich toelegt
op de leer van de Boeddha,
hij verlicht deze wereld,
als de van wolken vrije maan. (8)

Laten mijn vijanden de verkondiging van de Dhamma aanhoren!
Laten mijn vijanden zich toeleggen op de leer van de Boeddha!
Laten mijn vijanden die goede mensen liefhebben,
die [anderen] ertoe brengen de Dhamma te accepteren. (9) [105]

Laten mijn vijanden te rechter tijd de Dhamma horen
van hen die verdraagzaamheid prediken en
die de lof prijzen van zachtmoedigheid,
en laten zij hem in de praktijk brengen. (10)

Want dan zouden ze mij niet schaden noch enig ander.
Ze zouden de hoogste vrede bereiken en alles
wat stilstaat of beweegt in bescherming nemen. (11)

Kanaalmakers leiden het water,
pijlmakers buigen de pijl recht,
timmerlieden buigen het hout recht,
de wijzen bedwingen zichzelf. (12)

Sommigen temmen met de stok,
met haken en met zwepen.
Maar ik ben getemd door iemand
zonder stok en zonder zwaard. (13)

Mijn naam is Ahiṃsaka, “Geweldloos”,
terwijl ik vroeger vol geweld was.
Heden draag ik die naam met recht,
ik breng niemand meer schade toe. (14)

Ik was vroeger een beruchte rover,
Aṅgulimāla was mijn naam.
Door een grote vloed meegenomen,
Nam ik mijn toevlucht tot de Boeddha. (15)

Vroeger had ik bloed aan mijn handen,
was ik berucht als Aṅgulimāla.
Zie de mens die toevlucht genomen heeft;
wat leidt tot bestaan is weggenomen. (16)

Hoewel ik vele slechte daden beging,
die leiden tot een slechte bestemming,
eet ik mijn voedsel vrij van schuld,
daar ik de vrucht van mijn daden al ervoer.5 (17)

Dwaze domme mensen
geven zich over aan nalatigheid.
De wijze bewaakt zijn waakzaamheid
als ware het zijn grootste schat. (18)

Men geve zich niet over aan nalatigheid,
aan vertrouwdheid met lust en plezier.
Want wie in waakzaamheid mediteert,
bereikt een onuitsprekelijk geluk.6 (19)

Het was welkom, is niet meer weggegaan,
dit was geen slecht advies aan mij.
Onder alle uitgedeelde leringen
heb ik de allerbeste getroffen. (20)

Het was welkom, is niet meer weggegaan,
dit was geen slecht advies aan mij.
De drie vormen van weten zijn bereikt,
De leer van de Boeddha is volbracht.’7 (21)


__________________
1 Wij lezen hier paccupādi in plaats van paccāvādi.
2 Pali pabbajjā, eigenlijk ‘het wegtrekken [uit de wereld]’.
3 Deze verzen zijn gelijk aan Theragatha 866-870. Vergelijk Ria Kloppenborg, Theratherῑgāthā – Verzen van monniken en nonnen. Uitspraken van bevrijde mannen en vrouwen in het vroege boeddhisme, Asoka, Nieuwerkerk a/d IJssel, 2000, p. 145.
4 Een onderkleed, een bovenkleed en een mantel, die ook als deken diende.
5 Als hij zijn slechte daden nog niet uitgeboet zou hebben zou hij bij de schenkers van het voedsel in het krijt komen te staan, omdat hij het voedsel nog niet verdiend heeft. Maar omdat hij de vrucht van zijn daden al ervaren heeft en zijn daden daarmee uitgeboet heeft, eet hij zonder schuld. Vergelijk Bhadantācariya Buddhaghosa, The Path of Purification (Visuddhimagga), vert. Bhikkhu Ñāṇamoli, 2 dln., Shambhala, Berkeley & Londen, 1976: deel 1, pp. 43-44.
6 Enige van bovenstaande verzen komen ook in de Dhammapada (Dhp) voor: vers 6-7 = Dhp 172-173; vers 12 = Dhp 80; vers 18-19 = Dhp 26-27. Vergelijk Jan de Breet en Rob Janssen, Khuddaka-Nikāya – De verzameling van korte teksten 1: Sutta-Nipāta & Dhammapada, 2e dr., Asoka, Rotterdam, 2011.
7 Deze 16 verzen zijn gelijk aan Theragatha 871-886. Vergelijk Kloppenborg (2000), pp. 145-46.