Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - zomer 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Het Diamant-sūtra  •  Vesali-sutta  •  Godhika-sutta  •  Channa-sutta  •  Vakkali-sutta  •  Aṅgulimāla-sutta
Siṅgālovāda-sutta

Vakkali-sutta SN III 119-124

Uit: Jan de Breet en Rob Janssen, Samyutta-Nikaya – De verzameling van thematisch geordende leerredes, deel 3, Asoka, Rotterdam, 2012, pp. 184-190

22.87 Vakkali

it is een beroemd sutta vanwege de erin voorkomende zelfmoord door een monnik en de billijking daarvan door de Boeddha.
De monnik Vakkali is ernstig ziek en lijdt ondraaglijke pijnen. Hij draagt zijn medebroeders op de Boeddha te vragen hem te komen bezoeken. De Boeddha gaat naar hem toe en vraagt hem of hij ergens spijt over heeft. Vakkali zegt dat het hem spijt dat hij de Boeddha de laatste tijd niet bezocht heeft. Deze zegt hem dat zijn ‘smerige lichaam’ niet van belang is. Het gaat om de Dhamma: ‘Wie de Dhamma ziet, ziet mij.’ De Boeddha onderricht hem over de aard van de vijf geledingen van de persoonlijkheid. Door deze goed te leren kennen, keert men zich ervan af en wordt men bevrijd.
Vakkali laat zich na dit bezoek wegdragen naar de helling van de berg Isigili. De Boeddha verblijft op de Gierenpiek. Daar berichten twee godheden hem dat Vakkali een einde aan zijn leven wil maken. De Boeddha zendt enkele monniken naar hem toe met de impliciete goedkeuring van zijn voornemen. Kort na hun vertrek bij Vakkali doodt hij zichzelf. Teruggekeerd van hun bezoek krijgen zij van de Boeddha te horen dat Vakkali inmiddels gestorven is. Hij neemt hen vervolgens mee naar de plaats waar Vakkali dood op zijn bed ligt. Daar zien zij een donkere wolk zich in alle richtingen bewegen. De Boeddha verklaart tegenover de monniken dat dit Māra is die tevergeefs het bewustzijn van Vakkali zoekt, omdat het verlost is.

ALDUS HEB IK GEHOORD.
1. Eens verbleef de Verhevene in Rājagaha, in het Bamboebos bij de Eekhoornvoederplaats.
2. In die tijd verbleef de eerwaarde Vakkali in de woning van een pottenbakker, ziek, pijn lijdend, in zeer slechte gezondheidstoestand.
3. Toen dan richtte de eerwaarde Vakkali zich tot zijn verzorgers: ‘Gaan jullie, vrienden, naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen moeten jullie uit mijn naam zijn voeten met het hoofd vereren [en tegen hem zeggen:] “De monnik Vakkali, Heer, is ziek, lijdt pijn, is in zeer slechte gezondheidstoestand. Hij vereert de voeten van de Verhevene met zijn hoofd.” En dan moeten jullie dit zeggen: “Gaat u alstublieft, Heer, uit mededogen naar de monnik Vakkali toe.”’
4. ‘Goed, vriend,’ gaven die monniken de eerwaarde Vakkali instemmend ten antwoord en zij gingen naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen groetten zij hem eerbiedig en zetten zich ter zijde neer.
5. Ter zijde gezeten brachten zij het verzoek van de eerwaarde Vakkali over.
De Verhevene stemde in door te zwijgen.
6. Toen dan kleedde de Verhevene zich en ging met bedelnap en mantel naar de eerwaarde Vakkali toe. [120]
7. De eerwaarde Vakkali zag de Verhevene al van verre aankomen en hij maakte op zijn bed een beweging [alsof hij op wilde staan].
8. Toen dan sprak de Verhevene de volgende woorden tot de eerwaarde Vakkali: ‘Genoeg, Vakkali, beweeg je niet op je bed. Er zijn hier toebereide zetels. Daar zal ik op gaan zitten. En de Verhevene ging op een toebereide zetel zitten.
9. Toen hij gezeten was, sprak de Verhevene de volgende woorden tot de eerwaarde Vakkali: ‘Is het draaglijk voor je, Vakkali? Is er mee te leven? Worden de pijnen minder, nemen ze niet toe? Wordt er [door jou] een afname ervan, niet een toename ervaren?’
‘Het is voor mij niet draaglijk, Heer. Er is niet mee te leven. De hevige pijnen nemen bij mij toe, ze worden niet minder. Er wordt [door mij] een toename ervan ervaren, niet een afname.
10. ‘Je hebt toch nergens spijt over, je hebt toch nergens berouw over?’
‘Wis en waarachtig wel, Heer! Ik heb een niet geringe spijt en een niet gering berouw.’
11. ‘Je maakt jezelf toch geen verwijten ten aanzien van je gedrag, Vakkali?’
‘Ik maak mezelf geen verwijten, Heer, ten aanzien van mijn gedrag.’
12. ‘Als je jezelf dan geen verwijten maakt ten aanzien van je gedrag, waarover heb je dan spijt, waarover heb je berouw?’
‘Al lange tijd verlang ik ernaar om naar de Verhevene toe te gaan om hem te zien, maar er was niet voldoende kracht in mijn lichaam om het ook te doen.’
13. ‘Genoeg, Vakkali. Waarom zou je dit smerige lichaam willen zien? Wie de Dhamma ziet, Vakkali, ziet mij. Wie mij ziet, ziet de Dhamma. De Dhamma ziend ziet men mij. Mij ziend ziet men de Dhamma.
14. Wat denk je, Vakkali? Is het lichaam bestendig of onbestendig? [121]
‘Onbestendig, Heer.’
‘Zijn het gevoel, de cognitie, de drijfveren, de gewaarwording bestendig of onbestendig?’
‘Onbestendig, Heer.’
‘Maar wat onbestendig is, is dat leedvol of schenkt dat geluk?’
‘Het is leedvol, Heer.’
‘Maar wat onbestendig, leedvol, aan verandering onderworpen is, is het passend dat zo te beschouwen: “Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf”?’
‘Zeker niet, Heer.’
15. ‘Daarom, Vakkali, welk lichaam, welke gevoelens, welke cognitie, welke drijfveren, welke gewaarwording er ook is uit het verleden, de toekomst of het heden, van jezelf of van een ander, grof of subtiel, minderwaardig of verheven, ver weg of dichtbij – al die geledingen moet men zo zien, zoals ze werkelijk zijn, met volmaakt inzicht: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf.”
16. Zo ziende keert een geïnformeerde edele leerling zich af van het lichaam, van de gevoelens, van de cognitie, van de drijfveren en van de gewaarwording. Zich afkerend, maakt hij zich los. Door zich los te maken wordt hij bevrijd. In de bevrijde [geest] rijst de kennis op dat hij bevrijd is. “Vernietigd is geboorte, geleefd is het heilige leven, gedaan is wat gedaan moest worden, er is niets meer dat tot terugkomst hier leidt,” zo beseft hij.’
17. Toen dan, toen de Verhevene de eerwaarde Vakkali met deze aansporing aangespoord had, stond hij op van zijn zetel en vertrok naar de Gierenpiekberg.
18. Daarop richtte de eerwaarde Vakkali zich, kort nadat de Verhevene vertrokken was, tot zijn verzorgers: ‘Kom, vrienden, tilt mij op op mijn bed en gaat naar de Zwarte Rots op de helling van de Isigili. Immers, hoe zou iemand als ik kunnen menen te moeten sterven tussen de huizen?’
19. ‘Goed, vriend,’ antwoordden die monniken de eerwaarde Vakkali instemmend en zij tilden hem op op zijn bed en gingen naar de Zwarte Rots op de helling van de Isigili.
20. En de Verhevene verbleef de rest van die dag en nacht op de Gierenpiekberg.
21. Toen dan, toen de nacht reeds vergevorderd was, benaderden twee godheden van uitzonderlijke schoonheid de Verhevene, terwijl zij de hele Gierenpiek in een volle gloed zetten. Bij hem gekomen groetten zij hem eerbiedig en stelden zich ter zijde op.
22. Ter zijde staand sprak een van die godheden de volgende woorden tot de Verhevene: ‘De monnik Vakkali, Heer, heeft zijn geest gericht op bevrijding.’
23. De andere godheid sprak deze woorden: ‘Hij zal zeker bevrijd worden als iemand die goed bevrijd is, Heer.’
24. Aldus spraken die godheden. Daarop groetten zij de Verhevene, draaiden rechts om hem heen en verdwenen ter plekke.
25. Toen dan, toen die nacht verstreken was, richtte de Verhevene zich tot de monniken: ‘Kom, monniken, gaan jullie naar de monnik Vakkali toe. Bij hem gekomen moeten jullie dit zeggen: “Luister, vriend Vakkali, naar de woorden van de Verhevene [122] en van twee godheden. Deze nacht, vriend, toen de nacht reeds vergevorderd was, benaderden twee godheden van uitzonderlijke schoonheid de Verhevene, terwijl zij de hele Gierenpiek in een volle gloed zetten. Ter zijde staand sprak een van die godheden de volgende woorden tot de Verhevene: ‘De monnik Vakkali, Heer, heeft zijn geest gericht op bevrijding.’ De andere godheid sprak deze woorden: ‘Hij zal zeker bevrijd worden als iemand die goed bevrijd is, Heer.’ De Verhevene, vriend Vakkali, zegt dit tot jou: ‘Vrees niet, Vakkali, vrees niet, jouw dood zal niet slecht zijn, jouw overlijden zal niet slecht zijn.’”’
26. ‘Goed, Heer,’ antwoordden die monniken de Verhevene instemmend, gingen naar de eerwaarde Vakkali toe en zeiden dit tot hem: ‘Luister, vriend Vakkali, naar de woorden van de Verhevene en van twee godheden.’
27. Daarop richtte de eerwaarde Vakkali zich tot zijn verzorgers: ‘Kom, vrienden, tilt mij van mijn bed! Want hoe zou iemand zoals ik kunnen menen dat het onderricht van de Verhevene aangehoord kan worden zittend op een hoge zetel?’
28. ‘Goed, vriend,’ antwoordden die monniken de eerwaarde Vakkali instemmend en tilden hem van het bed.
29. [De boodschappers vervolgden:] ‘Deze nacht, vriend, toen de nacht reeds vergevorderd was, benaderden twee godheden van uitzonderlijke schoonheid de Verhevene, terwijl zij de hele Gierenpiek in een volle gloed zetten. Ter zijde staand sprak een van die godheden de volgende woorden tot de Verhevene: “De monnik Vakkali, Heer, heeft zijn geest gericht op bevrijding.” De andere godheid sprak deze woorden: “Hij zal zeker bevrijd worden als iemand die goed bevrijd is, Heer.” De Verhevene, vriend Vakkali, zegt dit tot jou: “Vrees niet, Vakkali, vrees niet, jouw dood zal niet slecht zijn, jouw overlijden zal niet slecht zijn.”’
30. ‘Welaan dan, vrienden, vereert uit mijn naam de voeten van de Verhevene met het hoofd [en zegt hem]: “De monnik Vakkali, Heer, is ziek, lijdt pijn, is in een zeer slechte gezondheidstoestand. Hij vereert de voeten van de Verhevene met zijn hoofd en spreekt aldus: ‘Het lichaam is onbestendig, Heer, daar twijfel ik niet aan. Wat onbestendig is, dat is leedvol, dat betwijfel ik niet. Wat onbestendig en leedvol is en onderworpen aan verandering, met betrekking daartoe heb ik geen verlangen of passie of liefde, daar twijfel ik niet aan. [123]
Het gevoel, de cognitie, de drijfveren en de gewaarwording zijn onbestendig, Heer, daar twijfel ik niet aan. Wat onbestendig is, dat is leedvol, dat betwijfel ik niet. Wat onbestendig en leedvol is en onderworpen aan verandering, met betrekking daartoe heb ik geen verlangen of passie of liefde, daar twijfel ik niet aan.’”’
31. ‘Goed, vriend,’ antwoordden die monniken de eerwaarde Vakkali instemmend en vertrokken.
32. Toen dan, niet lang na het vertrek van die monniken, nam de eerwaarde Vakkali een mes [en sloeg de hand aan zichzelf].
33. Daarop gingen die monniken naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen zetten zij zich ter zijde neer. Ter zijde gezeten brachten zij de boodschap van de eerwaarde Vakkali over.
34. Toen dan richtte de Verhevene zich tot de monniken: ‘Kom, monniken, wij gaan naar de Zwarte Rots op de helling van de Isigili, waar de zoon van goede familie Vakkali de hand aan zichzelf heeft geslagen!’
‘Goed, Heer,’ antwoordden die monniken de Verhevene instemmend.
35. Toen dan ging de Verhevene met een aantal monniken naar de Zwarte Rots op de helling van de Isigili.
36. De Verhevene zag de eerwaarde Vakkali al van verre op zijn bed liggen op zijn schouder gedraaid. [124]
Op dat moment trok een donkere bewolking, een duisternis in oostelijke richting, trok in westelijke richting, trok in noordelijke richting, trok in zuidelijke richting, trok omhoog, trok omlaag en trok in de tussenliggende windrichtingen.
38. Daarop richtte de Verhevene zich tot de monniken: ‘Zien jullie, monniken, die donkere bewolking, die duisternis die zich alle kanten op beweegt?’
‘Ja, Heer.’
39. ‘Dat is Māra, de Boze, die het bewustzijn van de zoon van goede familie Vakkali zoekt [en zich afvraagt:] “Waar is het bewustzijn van Vakkali gebleven?” Met een niet-traceerbaar bewustzijn, monniken, heeft Vakkali het uiteindelijke nirvana bereikt.’ (643)