Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - lente 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Het Diamant-sūtra  •  Vesali-sutta  •  Godhika-sutta  •  Channa-sutta  •  Vakkali-sutta  •  Aṅgulimāla-sutta
Siṅgālovāda-sutta

Channa-sutta SN IV 55-60

Uit: Jan de Breet en Rob Janssen, Samyutta-Nikaya – De verzameling van thematisch geordende leerredes, deel 4, Bodhi, z.p., 2014, pp. 73-77

35.87 Channa

1. Eens verbleef de Verhevene in Rājagaha, in het Bamboebos, bij de Eekhoornvoederplaats.
2. In die tijd verbleven de eerwaarde Sāriputta, de eerwaarde Mahā-Cunda en de eerwaarde Channa op de Gierenpiekberg.
3. In diezelfde tijd werd de eerwaarde Channa ziek, leed pijn, kreeg een ernstige aandoening.
4. Toen dan ging de eerwaarde Sāriputta, tegen de avond [56] opgestaan uit zijn meditatie, naar de eerwaarde Mahā-Cunda toe. Bij hem gekomen zei hij dit tot hem: ‘Vriend Cunda, laten wij naar de eerwaarde Channa toe gaan om hem naar zijn ziekte te vragen.’
‘Goed, vriend,’ antwoordde de eerwaarde Mahā-Cunda de eerwaarde Sāriputta instemmend.
5. Toen dan gingen de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Mahā-Cunda naar de eerwaarde Channa toe. Bij hem gekomen zetten zij zich neer op een toebereide zitplaats.
6. Na te zijn gaan zitten sprak de eerwaarde Sāriputta de volgende woorden tot de eerwaarde Channa: ‘Is het draaglijk voor je, vriend Channa? Is er mee te leven? Worden de pijnen minder, nemen ze niet toe? Wordt er [door jou] een afname ervan, niet een toename ervaren?’
7. ‘Het is voor mij niet draaglijk, vriend Sāriputta. Er is niet mee te leven. De hevige pijnen nemen bij mij toe, ze worden niet minder. Er wordt [door mij] een toename ervan ervaren, niet een afname.
8. Alsof, vriend, een sterke man met een scherp zwaard mijn hoofd splijt, net zo woelen er heftige winden in mijn hoofd. Het is voor mij niet draaglijk … Er wordt [door mij] een toename ervan ervaren niet een afname.
9. Alsof, vriend, een sterke man een stevige strook leer als een tulband om mijn hoofd wikkelt, net zo heb ik heftige pijn in mijn hoofd. Het is voor mij niet draaglijk …
10. Zoals, vriend, een vaardige runderslager of runderslagersleerling met een scherp slagersmes de buik van een rund zou opensnijden, net zo snijden er hevige winden door mijn buik. Het is voor mij niet draaglijk …
11. Zoals, vriend, twee sterke mannen een zwakkere man bij beide armen zouden grijpen en hem boven een kuil met gloeiende houtskool [57] zouden roosteren, verschroeien, net zo is er een heftige gloed in mijn lichaam. Het is voor mij niet draaglijk …
12. Vriend Sāriputta, ik ga het mes hanteren, ik wil niet meer leven.’
13. ‘Laat de eerwaarde Channa niet het mes hanteren! Laat de eerwaarde Channa blijven leven! Wij willen dat de eerwaarde Channa blijft leven. Indien de eerwaarde Channa geen geschikt voedsel heeft, dan zal ik voor hem geschikt voedsel gaan zoeken. Indien hij geen geschikte medicijnen heeft, dan zal ik voor hem geschikte medicijnen gaan zoeken. Indien hij geen passende verzorgers heeft, dan zal ik hem verzorgen. Laat de eerwaarde Channa niet het mes hanteren! Laat de eerwaarde Channa blijven leven! Wij willen dat de eerwaarde Channa blijft leven.’
14. ‘Vriend Sāriputta, het is niet zo dat ik geen geschikt voedsel heb. Ik heb geschikt voedsel. Het is ook niet zo dat ik geen geschikte medicijnen heb. Ik heb geschikte medicijnen. Noch is het zo dat ik geen passende verzorgers heb. Ik heb passende verzorgers. Bovendien heb ik gedurende lange tijd de Leraar gediend, op een aangename wijze, niet op een onaangename wijze. Want het is passend voor een leerling de Leraar op een aangename wijze te dienen, niet op een onaangename wijze. Onthoud dit, vriend, Sāriputta: de monnik Channa zal het mes vrij van blaam hanteren.’
15. ‘Wij zouden de eerwaarde Channa over een bepaald punt een vraag willen stellen, als hij zo vriendelijk zou willen zijn om een vraag te beantwoorden.’ [58]
‘Vraag, vriend Sāriputta! Als ik het gehoord heb, zal ik het weten.
16. ‘Vriend Channa, beschouw jij het oog, gewaarwording via het oog, en dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het oog, zo: “Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf”? Beschouw je het oor … de neus … de tong … het lichaam … het denken, gewaarwording via het denken, en dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het denken, zo: “Dit is van mij, dit ben ik, dit is mijn zelf”?’
17. ‘Vriend Sāriputta, ik beschouw het oog, gewaarwording via het oog, en dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het oog, zo: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf”? … Ik beschouw het denken, gewaarwording via het denken, en dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het denken, zo: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf”?’
18. ‘Vriend Channa, wat heb je in het oog, in gewaarwording via het oog, en in dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het oog, gezien, wat heb je direct begrepen, dat je ze zo beschouwt? … Wat heb je in het denken, in gewaarwording via het denken, en in dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het denken, gezien, wat heb je direct begrepen, dat je ze zo beschouwt?’
19. ‘Vriend Sāriputta, doordat ik in het oog, in gewaarwording via het oog, en in dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het oog, het ophouden heb gezien, het ophouden direct heb begrepen, beschouw ik ze zo. … [59] … Doordat ik in het denken, in gewaarwording via het denken, en in dingen die men gewaar kan worden met gewaarwording via het denken, het ophouden heb gezien, het ophouden direct heb begrepen, beschouw ik ze zo: “Dit is niet van mij, dit ben ik niet, dit is niet mijn zelf”?’
20. Op die woorden zei de eerwaarde Mahā-Cunda het volgende tegen de eerwaarde Channa: ‘Daarom, vriend Channa, moet deze lering van de Verhevene constant goed ter harte genomen worden: “Voor degene die afhankelijk is, is er wankelmoedigheid, voor degene die onafhankelijk is, is er geen wankelmoedigheid. Als er geen wankelmoedigheid is, dan is er innerlijke rust. Als er innerlijke rust is, dan is er geen toeneiging. Als er geen toeneiging is, dan is er geen komen en gaan. Als er geen komen en gaan is, dan is er geen overlijden en wedergeboorte. Als er geen overlijden en wedergeboorte is, dan is er geen hier noch ginds noch iets tussen beide in. Dit is het einde van het lijden.”’
21. Toen dan, na de eerwaarde Channa deze vermaning te hebben gegeven, stonden de eerwaarde Sāriputta en de eerwaarde Mahā-Cunda op van hun zitplaats en vertrokken.
22. Vervolgens, niet lang nadat die eerwaarden vertrokken waren, hanteerde de eerwaarde Channa het mes.
23. Daarop begaf de eerwaarde Sāriputta zich naar de Verhevene. Bij hem gekomen groette hij hem eerbiedig en zette zich ter zijde neer.
24. Ter zijde gezeten zei de eerwaarde Sāriputta het volgende tot de Verhevene: ‘De eerwaarde Channa heeft het mes gehanteerd. Wat is zijn bestemming, hoe zal zijn toekomstige lot zijn?’
‘Sāriputta, verklaarde de monnik Channa niet recht tegenover jou dat hij vrij van blaam was?’
25. ‘Heer, er is een Vajji-dorp genaamd Pubbavijjhana. Daar had de eerwaarde Channa bevriende families, welgezinde families, gastvrije families.’
26. ‘Zeker, Sāriputta, had de monnik Channa deze bevriende families, welgezinde families, gastvrije families. Maar ik zeg niet [60] dat men daarom laakbaar is. Wie zijn lichaam aflegt en een ander lichaam aanneemt, die noem ik laakbaar. Dat was niet het geval bij de monnik Channa. De monnik Channa heeft het mes vrij van blaam gehanteerd, onthoud dat, Sāriputta!’ (1360)