Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - zomer 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Het Diamant-sūtra  •  Vesali-sutta  •  Godhika-sutta  •  Channa-sutta  •  Vakkali-sutta  •  Aṅgulimāla-sutta
Siṅgālovāda-sutta

Godhika-sutta SN I 120-122

Uit: Jan de Breet en Rob Janssen, Samyutta-Nikaya – De verzameling van thematisch geordende leerredes, deel 1, Asoka, Rotterdam, 2009, pp. 210-213

4.23 Godhika

ALDUS HEB IK GEHOORD.
1. Eens verbleef de Verhevene in Rājagaha, in het Bamboebos, bij de eekhoornvoederplaats.
2. In diezelfde tijd verbleef de eerwaarde Godhika op de helling van de Isigili, op de Zwarte Rots.
3. Toen dan, toen de eerwaarde Godhika daar toegewijd, ijverig en vastberaden verbleef, ervoer hij een tijdelijke bevrijding van de geest. Daarop viel hij weer terug uit die tijdelijke bevrijding van de geest.
4-8. Terwijl de eerwaarde Godhika daar toegewijd, ijverig en vastberaden verbleef, ervoer hij voor een tweede, een derde, een vierde, [121] een vijfde en een zesde maal een tijdelijke bevrijding van de geest. Daarna viel hij telkens ook weer terug uit die tijdelijke bevrijding van de geest.
9. Daarop ervoer hij voor de zevende maal een tijdelijke bevrijding van de geest.
10. Toen dan dacht de eerwaarde Godhika het volgende: ‘Tot zes maal toe ben ik uit een tijdelijke bevrijding van de geest teruggevallen. Als ik nu eens de hand aan mezelf zou slaan?’
11. Daarop bemerkte Māra, de Boze, de overweging in de geest van de eerwaarde Godhika en ging naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen richtte hij zich tot hem met een vers:

‘O grote held, van groot inzicht,
stralend in macht en glorie,
alle haat en vrees ontstegen,
ik vereer uw voeten, o alziende.

Een leerling van u, o grote held
die de dood overwonnen heeft,
verlangt naar de dood en zint daarop.
Houd hem ervan af, o lichtdrager!

Want hoe kan een leerling van u, Verhevene,
die vreugde in de leer vindt,
een pupil die zijn doel nog niet bereikt heeft,
doodgaan, o wijdvermaarde?’

12. Op dat moment had de eerwaarde Godhika de hand al aan zichzelf geslagen.
13. Toen dan sprak de Verhevene, die begreep dat dit Māra, de Boze was, hem toe met een vers:

‘Zo, waarlijk, handelen de vastberadenen;
ze hebben geen verlangen naar het leven.
Godhika trok de begeerte bij de wortel uit
en heeft het uiteindelijke nirvana bereikt.’

14. Toen dan richtte de Verhevene zich tot de monniken: ‘Kom, monniken, laten wij naar de helling van de Isigili gaan, naar de Zwarte Rots, waar Godhika, de zoon van goede familie, de hand aan zichzelf heeft geslagen.’
15. ‘Goed, Heer,’ antwoordden die monniken de Verhevene instemmend.
16. Daarop ging de Verhevene met een aantal monniken naar de helling van de Isigili, naar de Zwarte Rots. Al van verre zag de Verhevene Godhika liggen op een bed met zijn schouders opzij gedraaid. [122]
17. Op dat moment bewoog zich iets als rook en duisternis in oostelijke richting, in westelijke richting, in noordelijke richting, in zuidelijke richting, naar boven, naar beneden en in de richtingen daartussenin.
18. Daarop richtte de Verhevene zich tot de monniken: ‘Zien jullie, monniken, dat rookachtige, dat duistere, dat zich naar het oosten, het westen, het noorden, het zuiden, naar boven, naar beneden en in de richtingen daartussenin beweegt?’ - ‘Ja, Heer.’
19. ‘Dat is Māra, de Boze, die zoekt naar het bewustzijn van Godhika, de zoon van goede familie. Hij denkt: “Waar heeft het bewustzijn van Godhika zich gevestigd?”
Maar, monniken, zonder dat zijn bewustzijn zich ergens gevestigd heeft, heeft Godhika het uiteindelijke nirvana bereikt.’
20. Toen dan ging Māra, de Boze, met zijn vīṇā van geel vilva-hout naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen sprak hij hem toe met een vers:

‘In de hoogte, beneden en rondom,
in de vier richtingen en die daartussenin
zocht ik, maar vond ik niet.
Die Godhika, waar is hij heengegaan?’

21. [De Verhevene:]
‘Die standvastige, begiftigd met vastberadenheid,
een meditator, altijd zich verheugend in meditatie,
zich dag en nacht toewijdend,
niet verlangend om te leven,

Godhika, heeft het leger van de dood overwonnen,
komt niet meer tot wedergeboorte,
heeft de begeerte bij de wortel uitgetrokken
en heeft het uiteindelijke nirvana bereikt.’

22. Hij werd door droefheid overmand
en de vīṇā viel uit zijn oksel.
Daarop verdween ter plekke
die teleurgestelde yakkha. (159)