Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - zomer 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Het Diamant-sūtra  •  Vesali-sutta  •  Godhika-sutta  •  Channa-sutta  •  Vakkali-sutta  •  Aṅgulimāla-sutta
Siṅgālovāda-sutta

Vesali-sutta SN V 320-322

Uit: Jan de Breet en Rob Janssen, Samyutta-Nikaya – De verzameling van thematisch geordende leerredes, deel 5, Asoka, Rotterdam, 2013, pp. 418-420

54.9 Vesāli

ALDUS HEB IK GEHOORD.
1. Eens verbleef de Verhevene in Vesāli in het Grote Bos, in het Huis met het Puntdak.
2. In die tijd nu hield de Verhevene op allerlei manieren een toespraak over het onreine, sprak hij lovend over het onreine, sprak hij lovend over meditatie op het onreine.
3. Toen dan richtte hij zich tot de monniken: ‘Monniken, ik wens mij twee weken in afzondering terug te trekken. Niemand mag naar mij toe komen, behalve één die mij bedelvoedsel komt brengen.’
‘Goed, Heer,’, antwoordden die monniken de Verhevene instemmend. En niemand ging naar de Verhevene toe, behalve één die hem bedelvoedsel bracht.
4. Daarop dachten die monniken: ‘De Verhevene hield op allerlei manieren een toespraak over het onreine. Hij sprak lovend over het onreine, hij sprak lovend over meditatie op het onreine’, en zij leefden toegewijd aan de praktijk van meditatie op het onreine, in haar verschillende vormen en aspecten. Ontdaan, overstuur en walgend van dit lichaam zochten zij iemand die hen doden wilde. Op één dag sloegen tien monniken de hand aan zichzelf of aan elkaar.1 Ook wel sloegen op één dag twintig of dertig monniken de hand aan zichzelf of aan elkaar.
5. Toen dan, toen de Verhevene na het verstrijken van die twee weken uit zijn afzondering teruggekeerd was, richtte hij zich tot de eerwaarde Ānanda: ‘Waarom toch, Ānanda, lijkt de monniksgemeenschap zo uitgedund?’
6. ‘Dat komt, Heer, doordat, toen de Verhevene op allerlei manieren een toespraak had gehouden over het onreine tegenover de monniken, hij lovend had gesproken over het onreine, [321] hij lovend had gesproken over meditatie op het onreine, zij toegewijd leefden aan de praktijk van meditatie op het onreine, in haar verschillende vormen en aspecten.’ Daarop vertelde Ānanda wat er vervolgens gebeurd was. ‘Het zou goed zijn, Heer, als de Verhevene een nieuwe instructie zou geven, zodat deze monniksgemeenschap gevestigd kan raken in bevrijdend inzicht.’
7. ‘Goed dan, Ānanda, verzamel alle monniken die in de buurt van Vesāli verblijven in de gemeenschapshal.’
‘Ja, Heer,’, antwoordde de eerwaarde Ānanda de Verhevene instemmend, en hij deed wat hem opgedragen was. Vervolgens ging hij naar de Verhevene toe. Bij hem gekomen, sprak hij de volgende woorden: ‘Heer, de monniksgemeenschap is verzameld. Doet u nu waarvoor u de tijd gekomen acht.’
8. Toen dan ging de Verhevene naar de gemeenschapshal toe. Daar aangekomen, zette hij zich neer op de toebereide zetel. Terneer gezeten, richtte de Verhevene zich tot de monniken:
9. ‘Deze concentratie door aandacht voor de ademhaling, monniken, is, wanneer zij ontwikkeld en gepraktiseerd wordt, vredig en verheven, een sublieme en gelukkige toestand, en zij verdrijft slechte, onheilzame geestestoestanden onmiddellijk, zodra ze ontstaan, en brengt ze tot rust.
10. Zoals, monniken, in de laatste maand van het hete seizoen, als er stof en vuil opgedwarreld is, een grote regenwolk die buiten het seizoen optreedt, dit onmiddellijk doet verdwijnen en tot rust brengt, net zo is de concentratie door aandacht voor de ademhaling, wanneer zij ontwikkeld en gepraktiseerd wordt, vredig en verheven, [322] een sublieme, gelukkige toestand en verdrijft zij slechte, onheilzame geestestoestanden onmiddellijk, zodra ze ontstaan zijn, en brengt ze tot rust.
11. En hoe moet de concentratie door aandacht voor de ademhaling ontwikkeld en gepraktiseerd worden?
12-18. Welnu, nadat een monnik naar een plek in de wildernis is gegaan, naar de voet van een boom of naar een lege hut, gaat hij met gekruiste benen zitten, met rechte rug, terwijl hij zijn aandacht richt op zijn onmiddellijke omgeving.
13. Als hij lang inademt, weet hij dat hij lang inademt; als hij lang uitademt, weet hij dat hij lang uitademt. Als hij kort inademt, weet hij dat hij kort inademt; als hij kort uitademt, weet hij dat hij kort uitademt.
14. Hij oefent zich om het hele lichaam te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het hele lichaam te ervaren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van het lichaam2 tot rust te brengen, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van het lichaam tot rust te brengen, terwijl hij uitademt.
15. Hij oefent zich om vreugde te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om vreugde te ervaren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om geluk te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om geluk te ervaren, terwijl hij uitademt.
16. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest3 te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest te ervaren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest tot rust te brengen, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de aandrijfkracht van de geest tot rust te brengen, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de geest te ervaren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te ervaren, terwijl hij uitademt.
17. Hij oefent zich om de geest te verblijden, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te verblijden, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de geest te concentreren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te concentreren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om de geest te bevrijden, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de geest te bevrijden, terwijl hij uitademt.
18. Hij oefent zich om de onbestendigheid te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om de onbestendigheid te observeren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om het wegebben te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het wegebben te observeren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om het ophouden te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het ophouden te observeren, terwijl hij uitademt. Hij oefent zich om het loslaten te observeren, terwijl hij inademt. Hij oefent zich om het loslaten te observeren, terwijl hij uitademt.4
19. Zo ontwikkeld, monniken, zo gepraktiseerd is deze concentratie door aandacht voor de ademhaling vredig en verheven, een sublieme en gelukkige toestand, en verdrijft zij slechte, onheilzame geestestoestanden onmiddellijk, zodra ze ontstaan, en brengt ze tot rust.’ (2688)


__________________
1 Letterlijk staat hier: ‘Zij hanteerden het mes.’ Het commentaar van Buddhaghosa legt uit dat zij zichzelf en elkaar doodden.
2 De ‘aandrijfkracht van het lichaam’ is de ademhaling zelf. Zie Tilmann Vetter: The 'Khandha Passages' in the Vinayapiṭaka and the four main Nikāyas (Wenen 2000), p. 37.
3 De ‘aandrijfkracht van de geest’ wordt gevormd door cognitie (saññā) en gevoel (vedanā). Zie De Breet en Janssen: De verzameling van middellange leerredes, deel 1 (2004), p. 462 (MN I 301).
4 Het observeren van de onbestendigheid is het beschouwen van de vijf geledingen van de persoonlijkheid als onbestendig, omdat zij onderworpen zijn aan opkomen, ondergaan en verandering, of omdat zij momentane ontbinding ondergaan. Het observeren van het wegebben en het observeren van het ophouden kunnen begrepen worden als het inzicht in de momentane vernietiging en het momentane ophouden van de verschijnselen en als het realiseren van nirvana door het wegebben van hartstocht en het ophouden van de drijfveren. Het observeren van het loslaten is het opgeven van bezoedelende affecten door inzicht en het bereiken van nirvana (vgl. Bhikkhu Bodhi: The Connected Discourses of the Buddha (Boston 2000), p. 1950).