Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 20 september 2013
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

‘Ik heb iets van een kameleon’

In gesprek met een boeddhistisch geestelijk verzorger

Kees Moerbeek en Jelle Seidel

Andreas van der Velde
ndreas van der Velde is geestelijk verzorger in het Universitair Medisch Centrum in Utrecht. Hij is boeddhist. Het UMC Utrecht heeft tien geestelijk verzorgenden in dienst, plus een aantal stagiaires en medewerkers met een werkervaringsplaats. Ze behoren tot diverse gezindtes. Van der Velde begeleidt patiënten van afdelingen Keel, Neus en Oor (KNO) en Oncologie. Als zij een voorkeur hebben voor begeleiding van een geestelijk verzorger met een specifieke achtergrond is dat mogelijk.

Over het algemeen zijn deze patiënten ouder dan vijftig jaar. Ze hebben vaak zware operaties ondergaan, bijvoorbeeld vanwege een hersentumor. De effecten van hun ziekte zijn ingrijpend, zoals uitval van lichaamsfuncties en het geheugen. Hun vooruitzichten zijn vaak ongunstig. Dikwijls is het de verpleging die ziet dat een patiënt steun nodig heeft en Andreas op zijn pad zet. Geestelijke verzorging is een vrijplaats in dit ziekenhuis, iedereen kan er aankloppen.

Wat houdt je werk in?

‘Sinds een jaar ben ik geestelijk verzorger. Deze algemene benaming roept associaties op met de kerk. Zelf vind ik raadsman beter bij boeddhisme passen, omdat ik ook niet weet hoe het in elkaar zit. Ik weet niet wat de dood is. Ik weet niet wat het leven is, ik weet het echt niet. Ik heb niets te verkopen en sta met lege handen. Wel kan ik luisteren en zelfs als het me te zwaar wordt blijf ik bij je! De erkenning van niet weten kan steun geven. De eigen angst en wanhoop mogen er zijn en worden gespiegeld.

De meeste patiënten zijn blij dat iemand de tijd heeft om te luisteren, ongeacht de traditie van de geestelijk verzorger. Bij sommige patiënten sluit het boeddhistische goed aan. Anderen zegt het weinig tot niets, een enkeling wil er niet van weten. Maar weinigen willen geestelijke verzorging vanuit een specifieke religie. Het kan zijn dat in een gesprek de bijbel tevoorschijn komt en dat wij samen bidden, dat hoort bij dit leven. Zelf heb ik een vrijzinnige achtergrond en ben lid van de Remonstrantse broederschap, wat goed spoort met het boeddhisme. Een geestelijk verzorger moet ruimdenkend zijn, anders kan hij dit werk niet goed doen.

Om goede gesprekken te hebben hoef ik niet het geloof van de ander te delen. Ik heb iets van een kameleon: ik pas me aan en ben een klankbord.’

Voelen deze mensen zich verdoemd?

‘Weinig, wel hoor ik de vraag: “Ik heb mijn best gedaan, waarom overkomt mij dit? Waar is die goede God?” Daarop heb ik geen antwoord. Bij bevindelijk gereformeerden zijn bijbelteksten belangrijk waarin de nietigheid van de mens benadrukt wordt. Wij mensen zijn stof en dat is hier heel toepasselijk. De situatie is namelijk dat we allemaal sterfelijk zijn en dat wordt door mij gehoord. Ik heb gemerkt dat mensen met oog voor anderen er relatief minder moeite mee hebben als ze deze ziekte krijgen. Dit leven, mijn leven is weliswaar eindig, maar het leven en de liefde duren voort.’
Ton Lathouwers
Wat is er boeddhistisch aan wat je doet?

‘Dat erbij blijven is boeddhistisch. De Leegte woorden geven is weliswaar mooi, maar tegelijkertijd beangstigend. Ik heb godsdienstwetenschap gestudeerd en was onder de indruk van een artikel van Ton Lathouwers over koans. Het handelde over de grondeloosheid van het bestaan en wat je als mens vervolgens doet. Dit is de fundamentele koan van het leven, maar het is ook te vinden in de christelijke naastenliefde. Het spreekt me nog steeds aan en komt dagelijks terug in mijn werk: ‘Wat er ook gebeurt, ik blijf bij je.’

Ik geloof niet in reïncarnatie en karma speelt in mijn werk geen rol. Kanker kan genetisch zijn, met gedrag te maken hebben, het kan je toevallig overkomen, maar het is altijd tragisch. Dit leven is eindig, dat is wat er aan de orde is. Iedereen verdwijnt, ook ikzelf; dat vormt de basis voor het gesprek. Het is onvermijdelijk in mijn werk dat ik bezig ben met het onder ogen zien van mijn eigen sterfelijkheid en de zinloosheid van het lijden. Geloof kan hoop geven dat het goed komt. Maar het komt niet altijd goed en daarom ben ik boeddhistisch raadsman. Ik heb geen hoop te bieden, maar wel: in gesprek met elkaar samen kijken naar wat dit lijden is. ’

Nu is er een opleiding boeddhistische geestelijke verzorging. Die was er destijds niet. Hoe heb jij je kennis en ervaring vergaard?

‘Religie heeft altijd al mijn belangstelling gehad en ik werk graag met mensen. Hiervoor heb ik langdurig werklozen begeleid. Dat waren bijzondere mensen, die van alles hadden meegemaakt. Mijn insteek was: ‘Jij mag er zijn, vertel maar.’ Als zij dat niet willen, is het ook goed.

Ik heb psychologie, maatschappelijk werk en geestelijke verzorging gestudeerd, maar vooral op een heel praktische manier veel over boeddhisme gelezen en teksten bestudeerd. Mijn kennis is vooral zelfstudie. Bijvoorbeeld: die ‘ik’, wat is dat? Deze tekst zegt dit, maar is het wel zo? Ik vind het belangrijk om die kennis te verspreiden. Maar mijn kennis wordt telkens weg geschopt, dan moet ik nog verder gaan, en verder.

Ik heb een brede basis en de praktische vaardigheden en een grote persoonlijke drive, maar voor mij is belangrijk dat herkend en erkend wordt wat ik doe. De rol van de Boeddhistische Unie Nederland is lastig. Ze vertegenwoordigt wel veel boeddhistische clubs, maar is daarmee een administratieve organisatie, zoals het landelijk kantoor van de de Protestantse Kerk in Nederland (PKN). Ze is zelf geen levensbeschouwelijke organisatie, zoals de gemeentes van de kleine Gereformeerde kerken, en de lokale sangha's. Uiteindelijk zijn het de leraren die de erkenning geven.

De herkenning van Ton Lathouwers doet er toe voor mij. Het besef dat ik dit werk niet alleen op eigen houtje doe, maar herkend wordt door anderen die voor mij belangrijk zijn. Het is mijn verantwoordelijkheid en ik ben erop aanspreekbaar, maar die herkenning geeft grond aan mijn werk.’  


Koans

Koan: contemplatie op woorden en gebaren
Andreas van der Velde spreekt in het interview over de grondeloosheid van het bestaan en de fundamentele koan van het leven. Volgens de beschrijving in Nico Tydeman’s boek Koan: contemplatie op woorden en gebaren (Asoka, 2005) is een koan (Chinees: kung-an) ‘geen irrationeel, onoplosbaar raadsel, maar een woord, een enkele zin of een verhaal, naar aanleiding waarvan de leerling met betrekking tot de boeddhistische leer tot “groot inzicht” komt. Door middel van concentratie op een koan en de bestudering van het gedrag van de vroegere Ch´an-meesters hopen zenleraren dat ook bij hun leerlingen Verlichting plaatsvindt.’

De kung-an ontstond tijdens de T’ang Dynastie (618-907) en verspreidde zich vanuit China naar Korea, Japan en Vietnam. In de loop van de eeuwen ontstond er een uitgebreide koantraditie en verschillende verzamelingen koans zagen het licht.

In een artikel onder de kop ´Blijf erin geloven en wanhoop niet´ citeert Ton Lathouwers de fundamentele koan van Hoseki Shinichi Hisamatsu (1889 –1980): ‘Als je niets meer kunt doen, wat ga je dan doen?’ De woorden van Elie Wiesel, waarmee Lathouwers afsluit, lichten deze koan over leven en dood toe.

‘Men moet wel waanzinnig zijn om te geloven dat wij mensen kunnen verlossen, dat wij de mensheid kunnen redden, dat wij elkaar heden ten dage kunnen helpen. Maar ik pleit voor zo’n waanzin. Ik pleit voor mystieke waanzin, een waanzin die maar één obsessie kent: verlossing… niet zozeer voor onszelf maar voor iedereen. (…) Precies wanneer wij de uiterste grens van de wanhoop hebben bereikt, wat gaan wij dan doen? Daar blijven staan? Voor altijd? In onze traditie is wanhoop nooit het antwoord. Het is de vraag. De vraag van alle vragen. En er komt geen antwoord. Er kan geen antwoord komen. Wat ga jij dan doen?’

Lathouwers, T. ‘Blijf er in geloven’. Website Maha Karuna Chan, Nieuwsbrief nr. 1, 2009




Bronnen
Lathouwers, T. 'Grote twijfel en koan in de westerse/Russische literatuur'. Zen, nr. 58, juli 1994, pp. 21-27.

Lathouwers, T. 'Kunnen wij de verdoemden liefhebben?' in: Meer dan een mens kan doen. pp.179-205. Rotterdam: Asoka, 2000.

Universitair Medisch Centrum Utrecht, geestelijke verzorging

Maha Karuna





Terug naar Artikelen