Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 30 maart 2013
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Kamergeleerde verrichtte monnikenwerk

Prof.dr. Tilmann Vetter (1937-2012)

Rob Janssen en Jan de Breet

p 20 december jl. overleed plotseling de Nederlandse indoloog, boeddholoog en tibetoloog Tilmann Ernst Vetter. Hij werd geboren op 2 maart 1937 in Pforzheim, Duitsland, studeerde in Wenen bij Erich Frauwalner en was van 1974 tot 2000 hoogleraar aan de Universiteit Leiden, bij de vakgroep Talen en Culturen van Zuid- en Centraal-Azië. Eerder was hij werkzaam voor het Institut für Tibetologie und Buddhismuskunde aan de Universiteit van Wenen en voor de Rijksuniversiteit Utrecht.

Vetter was een kamergeleerde van de oude stempel, die weliswaar weinig studenten trok, maar deze wel een intensieve begeleiding gaf. Tijdens zijn colleges werden Sanskriet-, Pali- en Tibetaanse teksten vertaald. Daarbij legde hij er de nadruk op dat hij geen talen doceerde, maar dat het hem ging om de inhoud van de teksten.

Het was zijn streven om de oorspronkelijke leer van de Boeddha zoveel mogelijk te reconstrueren op grond van de oudste teksten. Daarbij was hij zeer kritisch en nam veel afstand van de oude commentaren en ook van moderne interpretaties. Hij kwam zo vaak tot verrassende inzichten. Hij behoorde ongetwijfeld tot de meest vooraanstaande boeddhologen van deze tijd.

Ondanks zijn intense belangstelling voor het boeddhisme noemde hij zich geen boeddhist. Hij bleef een academicus die afstand bewaarde tot het onderwerp van zijn onderzoek. Bovendien was hij van mening dat de concrete vormen die het boeddhisme in de loop van de tijden heeft aangenomen, niet veel meer te maken hadden en hebben met de oorspronkelijke leer van de Boeddha. Men kan hierbij, ter vergelijking, denken aan de uitspraak van Friedrich Nietzsche: 'Der Christ hat alles verneint was jetzt christlich heißt.' Hoezeer hij toch wel persoonlijk geïnspireerd was door de Boeddha, moge blijken uit het motto op zijn rouwbrief: 'Unser ganzes Dasein ist flüchtig wie die Wolken im Herbst.'

Het moderne India en boeddhistische landen interesseerden hem weinig. Hij is één keer op een congres in New Delhi geweest en heeft bij die gelegenheid niet de kans gegrepen om iets van het land te zien. Hij keerde zo snel mogelijk terug naar Nederland. In 1990 sloeg hij ook een uitnodiging af om te spreken op een congres in Bangkok.

Oude teksten

Vetter schreef vijf wetenschappelijke boeken en talloze artikelen. In The Ideas and Meditative Practices of Early Buddhism (1988) besprak hij de belangrijkste ideeën en meditatieve praktijken van het vroege boeddhisme. Alle daarin gebruikte termen werden uitgelegd op basis van de oude teksten zelf. Hij nam daarbij afstand van de theravada-dogmatiek. Er werden verschillen tussen diverse passages in de oude geschriften blootgelegd en verklaard door middel van een ontwikkeling in het denken van de Boeddha en zijn belangrijkste leerlingen. Vetter toonde aan dat jhana-meditatie (een meditatievorm waarbij vier stadia van verzinking doorlopen worden) de meest oorspronkelijke meditatievorm is die de Boeddha onderwees.

In zijn boek over de Khandha Passages besprak Vetter alle passages die handelen over de geledingen van de persoonlijkheid (khandha’s) die de Boeddha onderscheidde. Die staan in de afdeling der orderegels (Vinaya-Pitaka) en de vier belangrijkste sutta-afdelingen (nikaya’s) van de Pali-canon. Het gaat hier om een vorm van boeddhistische psychologie. Het probleem hierbij was om adequate vertalingen te vinden voor de vijf termen die de geledingen aanduiden.

In zijn laatste werk presenteerde hij een woordenboek op de Chinese vertalingen van Indische boeddhistische teksten door An Shigao (werkzaam 147-168 n.C.) en zijn school. Dit boek getuigt van zijn enorme eruditie en beheersing van het Sanskriet, Pali en boeddhistisch Chinees.

Vetter inspireerde de schrijvers van dit in memoriam tot het ter hand nemen van de vertaling van de Pali-canon in het Nederlands. De eerste vertaling die wij produceerden, die van de Digha-Nikaya, nam hij helemaal door en voorzag hij van talloze waardevolle suggesties voor verbetering. Later raadpleegde hij voor ons bij bepaalde moeilijke passages de beschikbare Chinese vertaling(en) en adviseerde ons op basis daarvan over de juiste Nederlandse vertaling. Wij zullen hem blijven gedenken als onze belangrijkste leermeester op het gebied van oude boeddhistische teksten en onze steunpilaar bij ons vertaalwerk.  

De vertalingen van Jan de Breet en Rob Janssen uit de Pali-canon zijn verschenen bij Uitgeverij Asoka (nu Milinda) in Rotterdam. Bovenstaand In memoriam is ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad, 1 februari 2013.





Terug naar Artikelen