Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 12 maart 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

RECENSIE

Een kwestie van bewust zijn

Erik Hoogcarspel

Victor van Bijlert is al 30 jaar zeer actief betrokken bij de verspreiding en bekendmaking van de Indiase cultuur. Hij weet zijn actieve betrokkenheid in verschillende hindoe- en politieke organisaties zelfs te combineren met academische studies en onderwijs. Dit is een grote verdienste.

Erik Hoogcarspel
ijn grootste sympathie gaat uit naar het vrijzinnige hindoeïsme, met name de richting die de Advaita Vedānta wordt genoemd, de monistische interpretatie van de jongste teksten uit de Veda’s, de Upanishaden. In 1996 publiceerde hij een vertaling uit het Bengaals van de gedichtenbundel Gītali, waarmee hij de eerste is die een volledige bundel van de Bengaalse schrijver en dichter Rabindranath Tagore (Ravīndranātha Thākura, 1861 – 1941) in het Nederlands heeft vertaald. Onlangs is van zijn hand een vertaling uit het Sanskriet verschenen van de geschriften van de Indiase filosoof Gauḍapāda, die vermoedelijk leefde rond het jaar 500 van onze jaartelling. De belangrijkste hindoeïstische en boeddhistische teksten waarop deze stamvader van de Advaita Vedānta zich baseerde, zijn in dezelfde bundel in vertaling bijgevoegd.

Tegenstelling
Er is altijd een sterke tegenstelling geweest in India tussen het hindoeïsme en het boeddhisme. De Boeddha zelf deed nogal meewarig over die arrogante brahmaanse priesters en hij had weinig sympathie voor het kastenstelsel. Anderzijds beschouwden de hindoes de boeddhisten als nihilisten omdat deze hun dierbare Veda’s, volgens de hindoes de bron van alle beschaving en geleerdheid, niet wilden accepteren als absolute waarheid. In hun voortdurende concurrentiestrijd hebben hindoeïsme en boeddhisme elkaar natuurlijk diepgaand beïnvloed. Wat echter overeind bleef was een hele fundamentele filosofische tegenstelling. Volgens de hindoes is de werkelijkheid in wezen één geheel (monisme of advaita, letterlijk 'geen tweede'). De boeddhisten daarentegen wijzen elke bewering over de werkelijkheid als geheel van de hand omdat ze dit ongefundeerde speculatie vinden (nondualisme of advaya, letterlijk 'geen tweeheid').
Avatars van Vishnu

In India is echter alles in beweging en ook deze tegenstelling tussen ontologisch monisme en de afwijzing van ontologie wordt zo nu en dan vloeibaar. Advaita of monisme en advaya of nondualiteit gaan dan hetzelfde betekenen; dit wordt soms inclusief denken genoemd en het zit de Indiërs in de genen. Dit is met name het geval bij Gauḍapāda en Van Bijlert vereenzelvigt zich met dit standpunt. Al in de oudste Upanishaden, die stammen van voor de 6e eeuw voor onze jaartelling, wordt gezegd dat het wezen van het universum, het braḥman, niet verschilt van het wezen van elk mens, het zelf of het ātman. ‘Tat tvam asi’, ‘dat ben jij’, luidt een heilige uitspraak. Gauḍapāda concludeert hieruit dat het wezen van het universum een universeel bewustzijn is en dat maakt hem een ontologisch idealist. Het zou kunnen dat er in de tijd van Gauḍapāda enkele boeddhisten waren die er ook zo over dachten, maar dat is een punt van discussie onder experts.

Een probleem is natuurlijk wel dat de meeste mensen dit bewustzijn niet als zodanig ervaren. Bewustzijn staat niet in een overvolle trein en is ook geen overvolle trein, bewustzijn staat niet in de file en is ook geen file. Je kunt er dan wel van overtuigd zijn dat je het universele bewustzijn bent, maar je ervaringen doen daar niet aan mee. Als oplossing van dit probleem stelt de Vedānta-leer dat je ervaringen niet waar zijn. De wereld zoals we die ervaren is een illusie (māyā) of tovenarij, zoals Van Bijlert het vertaalt. Om deze bewering kracht bij te zetten treedt Gauḍapāda in de voetsporen van de boeddhistische filosoof Nāgārjuna (tweede eeuw) met zijn kritiek op de oorzakelijkheid. Als je eenmaal hebt bewezen dat er geen oorzaak en gevolg is, dat deze een illusie zijn, dan is het nog maar een kleine stap te poneren dat de gehele werkelijkheid, zoals we die kennen, niets anders is dan een valse voorstelling.

In zijn commentaar op het Māṇḍūkya Upaniṣad volgt Gauḍapāda een meer positieve route met zijn uitleg van de symboliek van de vedische klank OM. De bundel van Van Bijlert bevat zowel een vertaling van de Upanishad als van het commentaar van Gauḍapāda. Omdat in het Sanskriet de letter O wordt gezien als een versmelting van de letters A en U, kun je zeggen dat deze klank bestaat uit drie klanken plus een vierde: de eenheid van de drie. Deze vier klanken (Van Bijlert noemt ze tijdsduren) symboliseren vier bewustzijnstoestanden: waken, dromen, diepe slaap en kosmisch bewustzijn. In de laatste toestand wordt de eenheid van het zelf met de kosmos ervaren en is er onbeschrijfelijk geluk.

Gauḍapāda
Inspiratie
Gauḍapāda laat merken dat hij zich niet alleen door teksten maar ook door eigen ervaring heeft laten inspireren. Dit komt met name naar voren door het gebruik van de term asparśa-yoga, verzonkenheid zonder contact of aanraking (sparśa). Hij is de enige die deze term gebruikt en hij gebruikt hem niet meer dan twee keer. Hij lijkt hiermee een meditatietoestand te willen aanduiden waarbij kenobject en kennend bewustzijn zijn samengevallen. Commentatoren zijn tot nog toe echter niet in staat geweest om een bevredigende verklaring te geven voor de term of zijn herkomst te duiden. Gauḍapāda baseert zich bovendien op twee boeddhistische teksten uit de serie van het toppunt van wijsheid (prajña-pāramitā). Deze zijn niet zozeer filosofisch maar eerder gecomponeerd om als inspiratie te dienen: het Hart-soetra en het Diamant-soetra (of het Bliksemkliever-soetra), waarvan Van Bijlert een eigen vertaling levert. Deze teksten zijn al eerder door anderen in het Nederlands vertaald (zie 'De grote weg naar het licht', hoofdstuk 9 en 18) en de toevoeging ervan lijkt voornamelijk ingegeven te zijn door de wens de lezers van het boek een zo compleet mogelijk beeld van de filosofie van Gauḍapāda te bieden.

De vertaling van zulke oude teksten is over het algemeen niet gemakkelijk en Van Bijlert komt er over het algemeen goed uit. Soms is hij echter wat eigenzinnig, zonder dat de vertaling daarmee aan duidelijkheid wint. Hij vertaalt bijvoorbeeld de eerste regel van het Hart-soetra als volgt: ‘Het edele Ontwakingswezen (bodhisattva) Avalokiteshvara (de Heer die de wereld schouwt) volgde zijn loopbaan in de diepe volmaaktheid van het onderscheidend inzicht.’ De problemen worden hier aardig zichtbaar. ‘Ontwakingswezen’ is wel letterlijk vertaald, maar onbegrijpelijk, net zoals ‘de Heer die de wereld schouwt’. Beide woorden hebben in het Sanskriet een kromme onbegrijpelijke etymologie en kunnen daarom beter onvertaald worden gelaten. ‘Volgde zijn loopbaan’ kan duidelijker, omdat het werkwoord ‘car’ dat hier gebruikt wordt niet alleen 'bewegen' of 'lopen' betekent, maar ook 'beoefenen' of 'zich gedragen'. Met andere woorden waarom niet zoiets als ‘de edele bodhisattva Avalokiteśvara was bezig met de beoefening van de diepzinnige prajñapāramitā-meditatie’? Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat het Hart-soetra over een meditatieve ervaring gaat. Gelukkig behoort dit soort zwakke passages tot de uitzonderingen en zijn de vertalingen over het algemeen correct en soepel. Van Bijlert lardeert zijn vertalingen met een overvloedig en interessant notenapparaat, waardoor oorsprongen en tekstverbanden zichtbaar worden, die de lezer anders zeker zouden zijn ontgaan.

Kwestie
Er is een kwestie die Van Bijlert op een nogal verwarrende manier behandelt. Op bladzijde 12 lezen we ‘In de Indiase oudheid was het onderscheid tussen hindoe en boeddhist non-existent omdat de term hindoe toen nog niet bestond.’ Een paar regels daar boven staat doodleuk dat de Boeddha zelf een hindoe was. Hoe kan iemand een religie aanhangen waar zelfs nog geen woord voor is? Bovendien waren in de tijd van de Boeddha vriend en vijand het er al over eens dat deze een heel ander verhaal te vertellen had dan alle andere bekende theorieën. Later werden Gauḍapāda en zelfs zijn leerlingsleerling Śaṅkara door tegenstanders uitgemaakt voor crypto-boeddhisten en dat was beslist niet bedoeld als compliment. Omgekeerd was de beschuldiging heimelijk tot het hindoeïsme te zijn afgegleden een bekende manier van boeddhistische auteurs om tegenstanders af te serveren. Het verschil tussen beide is en was in India voor iedereen overduidelijk: hindoes erkennen de Veda’s als de absolute waarheid, boeddhisten en jaïns niet, dat zijn nihilisten (nāstika’s). Er zijn overeenkomsten, vooral te danken aan plagiaatwerk van beide kanten, maar te zeggen dat het allemaal één pot nat is, dat gaat te ver.

Ten slotte is er een kleinigheid bij de vormgeving die ik heel jammer en onbegrijpelijk vind. Hoewel Van Bijlert beweert dat hij zich houdt aan de internationale afspraken van de transliteratie van Sanskrietwoorden, vermijdt hij het gebruik van diakritische tekens, de accenten die nodig zijn om de Sanskrietletters juist weer te geven. Als je dus leest dat hij matra vertaalt met tijdsduur en je wilt weten of er geen betere alternatieven zijn, dan kun je dit woord niet vinden in het Sanskriet-woordenboek. Het woord is namelijk mātra en dat is een heel ander woord, omdat de a en de ā in het Sanskriet verschillende letters zijn. Van Bijlert’s afkeer van accenten gaat zelfs zo ver dat hij midden in de zin Een schrijft in plaats van één, dit is grammaticaal onjuist. Als er een tweede druk komt – en het boek verdient dit wel want het is een waardevolle bijdrage – dan hoop ik dat Van Bijlert hier nog eens naar kijkt.  

Bronnen
Van Bijlert, Victor A. Bewustzijn boven taal en dualiteit, de Indiase filosoof Gaudapada en zijn bronnen. Den Haag: V.U. University Press, 2016; 231 pagina's, ISBN 978 90 8659 740 6
Ensink, J. De grote weg naar het licht. Rotterdam: Asoka, 2005; ISBN 90 5670 070 7





Terug naar Artikelen