Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - najaar 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN

Betekent leven lijden?

Karl-Heinz Brodbeck

De vergankelijkheid is een absolute zekerheid in tegenstelling tot alle geluksillusies. Vandaar, zo stelt Karl-Heinz Brodbeck, dat we bij ons zoeken naar geluk, naar een goed leven, steeds met haar rekening moeten houden. Anders zal ons streven ons op een dwaalspoor brengen. Een vertaling uit Buddhismus aktuell, de kwartaaluitgave van de Deutsche Buddhistische Union (DBU).

Karl-Heinz Brodbeck
a een voordracht van mij over medeleven en boeddhistische ethiek sprak een jonge vrouw mij aan en stelde dat dat toch het mooie aan het boeddhisme is, dat niet, zoals in het christendom, het lijden in het middelpunt staat, maar het geluk. En het medeleven, dat had ze uit een boeddhistisch boek over geluk geleerd, is toch een slim middel om het eigen geluk te bereiken. Dit liet zich zelfs neurowetenschappelijk bewijzen. Ik had tijdens de voordracht geen tijd dit punt nader toe te lichten. Daar de genoemde voorstellingen echter beslist wijd verbreid zijn, zou ik het uitvoerige antwoord hier als het ware willen naleveren en het met deze vraag willen inleiden: Is de overgeleverde Leer van de Boeddha dat al het leven lijden betekent en dat hij dit een waarheid noemde, achterhaald of zelfs een verkeerde interpretatie? Is het niet zo dat de Boeddha zelf altijd glimlachend uitgebeeld wordt, terwijl in bijna ieder klaslokaal in Europa een lijdende Jezus met pijn in het gezicht aan een kruis hangt?

Laten we eens iets nauwkeuriger kijken naar wat 'geluk' betekent. De leer dat al het menselijke streven uiteindelijk op het bereiken van geluk gericht is, wordt in de traditionele boeddhistische scholen nauwelijks bestreden. In Europa dringt zich evenwel de vraag op: Is dat niet precies dezelfde leer als die van de Engelse filosoof Jeremy Bentham? Deze formuleerde in zijn belangrijkste moraalfilosofische werk uit 1789 de ethiek van het utilitarisme: Alle morele inspanningen moeten beoordeeld worden naar het bereikte geluk (of nut). Wat dit doel dient, is goed. De gedachte dus dat de beoefening van medeleven vooral een middel is om geluk te bereiken, blijft zuiver utilitaristisch en sluit naadloos aan bij de wereldwijde geldeconomie, waarin veelsoortige waren te koop aangeboden worden die allemaal geluk beloven.

Fundamentele denkfouten als het om geluk gaat
Dit idee, dat geluk eenvoudig te bewerkstelligen is, past weliswaar prachtig in een wereld die gelooft dat alles maakbaar is of te koop, maar lijdt aan drie fundamentele denkfouten. Ten eerste is geen enkel geluk duurzaam, hoe het ook bereikt wordt. Alle geluk is vergankelijk. Daarom is vergankelijkheid altijd de 'hogere' waarheid; een absoluut zekere waarheid in tegenstelling tot alle geluksillusies. Deze overweging vormde het uitgangspunt voor Boeddha's betoog: Alles is vergankelijk. Ten tweede berust de gedachte dat ik mijn geluk alleen voor mezelf zou kunnen bereiken, op een fundamentele illusie. Wij ervaren onophoudelijk dat de verhoudingen zich niet zo ontwikkelen als wij hopen, dat wij van andere dingen en mensen afhangen. Wij ondergaan – heel neutraal uitgedrukt – deze afhankelijkheid. Een materialistische filosofie heeft uit deze juiste observatie de conclusie getrokken dat de dingen die ons omgeven, daarom ook objectief , in zichzelf, door eeuwige natuurwetten bestuurd existeren.

De naïviteit van deze opvatting wordt altijd dan duidelijk als de dingen dan toch veranderen. Wat steeds als eeuwig, duurzaam, onwrikbaar geldt, dat is in het klein in de eigen ervaring, in het groot in de geschiedenis steeds weer een illusie gebleken. Alles is vergankelijk en niets is op den duur onder controle te houden. Tot voor kort geloofden wij nog de natuur te beheersen, maar nu blijkt uit de klimaatverandering, uit de ecologische catastrofen, uit nieuwe epidemieën en ziekten dat wij de natuur weliswaar kunnen beïnvloeden, maar niet beheersen. We blijven de natuur ondergaan, haar transformatie – en we ondergaan onze eigen transformatie onophoudelijk. Geen pil, geen poedertje, geen wonderdokter houdt onze veroudering tegen. Geen enkele sociale techniek kan duurzaam economische en sociale catastrofen verhinderen. Het streven naar geluk vereist een beheersing van de wereld en van het lichaam die een fundamentele illusie blijkt te zijn: het lijden ontpopt zich als de donkere keerzijde van het streven naar geluk. Wij ondergaan de vergankelijkheid, onverbiddelijk. Precies dat is de Waarheid van het Lijden.

Ten derde tot slot, ook dat is een elementaire bouwsteen van de Leer van de Boeddha, heeft dit alles, de vergankelijkheid en het ondergaan van de eigen situatie, een oorzaak. Deze oorzaak is het vasthouden aan een ik-illusie. Wij geloven een afgescheiden wezen te zijn. We trachten de eigen omgeving in te delen in mijn en niet-mijn, te bevatten en vast te houden. Deze vermeende voortduring van een ik projecteren wij ook op de dingen, die we een eeuwig zijn en duurzaamheid toedichten. Dit is de niet te loochenen vingerwijzing van de wetenschappen zelf, die deze illusie in de natuur ontmaskerd hebben: levende wezens hebben ook als soorten geen eeuwige vorm; ze zijn door evolutie uit elkaar ontstaan; alle dingen laten zich ontleden, in moleculen, atomen, elementaire deeltjes – en ten slotte komen we uit bij merkwaardig vage objecten als quarks of het higgsdeeltje, waarbij niet duidelijk is waar en wanneer ze precies zijn, en die helemaal niet los van hun meting gezien kunnen worden. In de ecologie komt voor levende wezens dezelfde wederzijdse afhankelijkheid naar voren. En alleen nog economen – die helaas nog massaal de universiteiten bevolken – gaan ervan uit dat men de menselijke samenleving in 'individuen' (letterlijk: ondeelbare elementen) moet opsplitsen en uit hun concurrentie en egoïstisch streven de economie moet verklaren (= liberalisme) – naar de uitspraak van Margaret Thatcher: ‘Ik ken geen samenleving, ik ken alleen individuen’. Het is een vorm van blindheid om de wederzijdse afhankelijkheid van alle mensen, levende wezens, verschijnselen of dingen niet te zien. Deze te loochenen is het ware egoïsme, een egoïsme dat op onjuiste gedachten berust.

Medeleven wordt verwerkelijkt in het handelen
Waarom ondergaan wij deze wederzijdse afhankelijkheid? Waarom mislukt het steeds weer om in onze in dit leven onontkoombare bestaansvorm voor ons zelf geluk te bereiken of, als dit een keer gelukt is, ook duurzaam vast te houden? Wij mislukken in ons gelukstreven omdat we van onszelf, van ons ik uitgaan en daarop alles betrekken. Dat is een fundamentele dwaling. Het is dus een fundamenteel juiste gedachte om het medeleven op de eerste plaats in ons streven naar geluk te zetten. Daarin ligt een juist, een diep inzicht: Ik kan helemaal niet voor mezelf alleen gelukkig zijn. De oefening in medeleven wordt echter pas dan werkzaam, wanneer ik haar als alledaagse praktijk in het handelen verwerkelijk, wanneer meditatie hiermee tot geëngageerd boeddhisme wordt.
Maar verandert zo'n ethische praktijk van medeleven, een leven aan deze horizon van het helpen, van het weten van onze verbondenheid met mensen en onze aarde, het lijden? Wordt daardoor het lijden als waarheid van ons leven opgeheven? Zeker niet. Wij zullen sterfelijk blijven; de dood zal steeds weer – in de vorm van de dood van anderen en van onze eigen ziekten – aan onze deur kloppen en de Eerste Edele Waarheid van het boeddhisme meer of minder nadrukkelijk verkondigen.

Onze boeddhanatuur als bron voor een goed leven
Dus hoe kunnen we in het lijden en met het lijden leven en toch daardoor niet vertwijfeld raken? De dingen die gewoonlijk als gelukbrengend aangeboden worden in de moderne tijd zijn slechts aanbiedingen van nieuw, later lijden; veelal monden ze uit in frustratie, teleurstelling of verveling. Welk geluksaanbod we ook aanpakken en daarbij zelfs voorbijgaand succes hebben (rijkdom, schoonheid, erkenning enz.), dit geluk zal vroeger of later verbleken. Bieden religies hier een uitkomst? Als men ze als middel tot het verkrijgen van geluk in het hiernamaals beschouwt, dan ontstaat daaruit slechts een nieuw consumptieartikel met nieuwe illusies en bijbehorende teleurstellingen. Bovendien neigen religies vaak tot fundamentalisme, dat het lijden alleen maar vermeerdert. Een werkelijke oplossing ligt dus slechts in de ethiek, in het inzicht in de wederzijdse afhankelijkheid en daaruit volgend een meelevend handelen. Dit is een seculiere ethiek zonder religie. Maar op deze basis kan zich dan een dieper inzicht ontwikkelen.

Als wij erkennen hoe wij in ons denken, onze innerlijke dialoog onophoudelijk en alle dagen een ik reproduceren, als wij begrijpen dat wij mensen en dingen daardoor illusoir in onze greep proberen te krijgen, dat we ze in begrippen proberen te persen, dan kunnen we aan de wortel van het lijden werken. We zullen merken dat aan dit eindeloze innerlijke gebabbel, aan de angsten en hoopvolle verwachtingen, die ons steeds weer de afhankelijkheid van iets anders, van media, van 'feiten' als onvervulde wensen en angsten laten ondergaan, zoiets als een open, innerlijke ruimte ten grondslag ligt. Deze toont zich op momenten van stilte, als we even niet actief zijn maar in rust verkeren, als er iets van ons afvalt. In deze stilte der aandacht, die aan alles plaats biedt en toch door al het lawaai dat haar vervult, nooit verstoord wordt, vinden wij daadwerkelijk geluk. Iedere ik-gedachte, ieder grijpen met begrippen produceert weer nieuwe mist en laat ons opnieuw alleen maar lijden aan onze omstandigheden. Aandacht is niet afhankelijk van iets anders. Ze wijst naar onze boeddhanatuur, die altijd al aanwezig is en een onuitputtelijke bron voor een goed leven blijft – een gewaarworden voorbij geluk en lijden. (jdb)  





Terug naar Welkom