Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - zomer 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN

Dieren in de Pali-Canon

Yvon Mattaar

Veel mensen schrikken van de enorme hoeveelheid vaak droge teksten waaruit de Pali-Canon bestaat. Maar hoewel het lezen van deze teksten wat oefening vereist, is het de moeite absoluut waard. Voor dit artikel heb ik gezocht naar teksten waar gedomesticeerde dieren in voorkomen, en ik vond mooie, interessante, en ook gewoon grappige verhalen.

Kruipend dier
k heb mijn best gedaan me niet te laten beïnvloeden door onze eigen cultuur, waarin enerzijds dieren gezien worden als niet meer dan vleesproducent, en anderzijds huisdieren soms sterk vermenselijkt lijken te worden. In dit artikel wil ik een beeld schetsen van de wijze waarop de mensen in de tijd van de Boeddha omgingen met dieren. Dat was in veel gevallen vanzelfsprekend anders dan onze moderne westerse manier. Zo lijkt het in eerste instantie vreemd dat een kat (AN 10-216) onder de ‘kruipende dieren’ valt, samen met de slang, de schorpioen, de duizendpoot, het stokstaartje, de muis en de uil. Maar met ‘kruipende dieren’ worden dieren bedoeld die wegkruipen als ze een mens zien! Het is dus duidelijk dat katten niet gezellig op schoot lagen. Ook honden waren niet de knuffelbare huisvrienden zoals wij die nu kennen. Ze werden gebruikt tijdens de jacht of als waakhond, maar ook in één adem genoemd met jakhalzen en gieren als de dieren die op de knekelvelden de karkassen van overledenen kaalvraten.

De vijf levenssferen
In het vroege boeddhisme is er sprake van 5 levenssferen waarin men herboren kan worden: in de hel, als geest, dier, mens of deva. In het dagelijks leven komt de mens met maar twee levenssferen in aanraking: alleen mensen en dieren zijn zichtbaar aanwezig in onze wereld. Ieder dier dat je tegenkomt, is een wezen dat als het ware ‘on hold’ staat: het moet zijn leven uitleven, en kan pas als het wedergeboren wordt als mens echt vooruit op het boeddhistisch pad. De stimulans om dieren met compassie tegemoet te treden omdat zij in de eindeloze cyclus van wedergeboortes ooit je vader, moeder, echtgenoot of kind zijn geweest, komt pas naar voren in de Lankāvatāra Sūtra van het Mahayana. In de Pali-Canon ligt de nadruk op karuna, mededogen, met dieren, vanwege hun ongelukkige zijnstoestand. Daarnaast bieden dieren de mens de mogelijkheid tot dana, vrijgevigheid: hoewel het schenken aan een monnik oneindig veel meer verdienste oplevert, is het weggooien van afwaswater met de gedachte dat er dierlijk leven is dat zich daarmee kan voeden al een -kleine- bron van verdienste (AN 3-57). Hoewel het voor de mens wel mogelijk is om het leven van een dier draaglijker of prettiger te maken, kan een mens een dier niet helpen om als mens of deva herboren te worden: we delen de aarde, maar zijn min of meer gevangen in onze eigen levenssfeer.

Het offeren van dieren
In de pre-boeddhistische vedische godsdienst werden dierenoffers gezien als een middel om de machtige goden te eren, en dit was aan precieze regels gebonden. Als iedereen zich nauwgezet hield aan de regels en zijn rol binnen het geheel, kon het evenwicht in de wereld bewaard blijven. De leer van de Boeddha bracht hier een radicale verandering in: hij betoogde dat dierenoffers wreed en zinloos waren, en juist een negatief effect zouden hebben op degenen die ze uitvoerden of de opdracht daartoe gaven. De Boeddha ging er van uit dat dierenoffers van oorsprong ook niet in het Vedische geloof thuishoorden, maar een degeneratie van dat geloof betroffen: de brahmanen offerden in eerste instantie gepelde rijst, geklaarde boter en olie (Snip 295), maar doodden geen dieren. In later tijd veranderde dat:

‘Daarop liet de koning, de heer der krijgers,
daartoe aangezet door de brahmanen, vele
honderdduizenden koeien in een offer doden (Snip 308)

Noch met hun poten, noch met hun horens
noch met iets anders doen koeien kwaad.
Zij zijn als schapen, mak, geven emmers melk.
Toch liet de koning hen bij de horens pakken
en met een mes om het leven brengen (Snip 309)’

Zo heel mak waren die koeien overigens niet: in een andere sutta komt de melaatse Suppabuddha door een koe om het leven: ’(Toen) stortte een koe met een pasgeboren kalf zich op hem en beroofde hem van het leven.’ (Ud V.3)

Het brengen van dieroffers werd door de Boeddha in duidelijke bewoordingen afgewezen: ‘Het soort offer waarbij koeien gedood worden, geiten en schapen gedood worden, kippen en varkens gedood worden, waarbij allerlei levende wezens de dood vinden, zo’n offer waarbij geslacht wordt, prijs ik niet’ (AN 4-39).

Omgang tussen mens en dier
In de Majjhima Nikaya is een mooie passage te lezen over de overeenkomsten tussen een goede monnik en een goede herder. Een herder moest verstand hebben van het uiterlijk en het gedrag van zijn dieren, hij moest weten hoe hij ongedierte uit hun vacht moest verwijderen, hoe hij hun stal moest uitroken om ongedierte te doden. Hij moest weten waar de doorwaadbare plekken in de rivier waren, waar het vee kon drinken, hoe de goede routes te vinden waren, waar goede weidegrond te vinden was. Hij moest weten hoe hij een koe zo moest melken dat er voldoende melk overbleef om het kalf goed te laten groeien – een heel subtiel evenwicht tussen de opbrengst voor de mens en het welzijn van het dier. Daarnaast moest hij voldoende respect hebben voor de stieren, die vaders en leiders van de kudde waren (MN I 220). In deze opsomming komen verschillende zaken naar voren die voor een monnik belangrijk waren, maar dus ook gezien werden als prijzenswaardig in de houding van de mens tegenover de dieren die hij hield: opmerkzaamheid, vaardigheid, kennis, compassie en respect.

Omdat koeien erg belangrijk waren, worden ze vaak genoemd in de oude geschriften. Een mooi voorbeeld is dat van de Camari-koe, een ras dat bekend staat om zijn mooie pluimstaart en om het feit dat de koe heel voorzichtig is met die staart. Als de koe ergens met haar staart in vast is gehaakt, zou ze zelfs als ze met de dood bedreigd wordt, haar staart niet beschadigen: net zo moet een monnik zijn deugdzaamheid bewaken ... (uit de Jatakanidana).

De voorschriften
Trekos
Omdat dieren niet wezenlijk van mensen verschillen, alleen tijdelijk in een andere levenssfeer verkeren, gelden de voorschriften jegens hen net zo goed als van mens tot mens. Het eerste voorschrift maant een mens een ander levend wezen geen leed toe te brengen. Dat betekent dat een boeddhist geen dieren zal doden. Dit eerste voorschrift is het meest in het oog springende als gekeken wordt naar de verhouding tussen mens en dier. Dat het vierde voorschrift (‘ik neem mij voor geen onwaarheden te vertellen’) ook voor gedrag tegenover dieren geldt, is minder vanzelfsprekend. Er is een prachtig voorbeeld van te vinden in de Vinaya (Vin IV 5), het boek met gedragsregels voor monniken en nonnen. Beledigende taal gebruiken, een onderdeel van het vierde voorschrift, is een reden om een monnik uit de orde te zetten. Om deze regel nader uit te leggen, vertelt de Boeddha het verhaal van de os Nandivisāla. Deze os zet zijn meester aan om een weddenschap aan te gaan. De man gaat een weddenschap aan met een collega dat zijn os wel 100 wagens kan trekken. Nandivisāla wordt voor 100 wagens gespannen, en zijn meester begint te schreeuwen: ’Kom op, jij hoornloze sufferd, trekken!‘ De os verzet geen poot, en de man verliest de weddenschap. Als hij zich beklaagt bij de os, zegt deze tot hem: ‘Ik beloof een weddenschap voor je te winnen, en dan ga jij mij, met mijn mooie horens, gewoon beledigen! Als je me fatsoenlijk behandelt, win ik die weddenschap voor jou.’ De man durft het aan, verdubbelt de inzet en moedigt zijn os aan: ’Kom op fantastisch dier, trek mijn karren, geweldig wezen!’ En Nandivisāla begint te trekken en wint de weddenschap voor zijn meester. Conclusie: wees nooit onvriendelijk, spreek alleen vriendelijke woorden. En dus niet alleen tegen mensen!

Schaduwprikstok
Een tweede conclusie die je uit het bovenstaande verhaal kunt trekken, is dat schreeuwen tegen (trek)dieren blijkbaar heel gewoon was. En het bleef niet bij schreeuwen alleen. Bij een vergelijking tussen monniken en paarden wordt duidelijk dat bij het africhten van paarden zachtmoedigheid geen algemene regel was (AN 4-113). Voor sommige fraaie volbloed paarden is de schaduw van de prikstok van de menner al voldoende om hem aan het werk te zetten, maar er zijn ook dieren die pas gehoorzamen wanneer ‘zijn botten worden geprikt met de prikstok’... In dit sutta wordt er geen waardeoordeel over deze behandeling van paarden gegeven, het wordt gezien als een noodzaak: verschillende dieren (en verschillende mensen) hebben een verschillende behandeling nodig om effectief te kunnen leren. Ondanks de noodzaak die gezien wordt om sommige dieren stevig aan te pakken, is elders wel te lezen dat dit gevolgen heeft in een volgend leven (SN 19.8): ...’[Toen] zag ik een man met lichaamsharen als naalden door de lucht vliegen. Die naalden van hem rezen steeds weer op en vielen terug op zijn lichaam. En die man slaakte gekwelde kreten ... Dat wezen, monniken, was hier in Rājagaha een wagenmenner.’

Conclusie
De Boeddha drong nooit zijn leringen op aan leken. De lessen die hij gaf waren altijd een reactie op een vraag die hem gesteld werd. Op één uitzondering na: ’... [Toen] zag hij dat groepje jongens bezig visjes te vangen. Toen hij dat zag, ging hij naar die jongens toe en zei tegen hen: “Zijn jullie bang voor pijn, jongens, vinden jullie pijn vervelend? ... Indien jullie pijn vrezen, indien jullie pijn onaangenaam is, verricht dan geen slechte daden, noch openlijk noch in het verborgene. Als jullie nu of in de toekomst slechte daden verrichten, dan is er voor jullie geen bevrijding van het leed”’ (Ud V.4). Naar mijn weten is dit de enige vermelding in de Pali-Canon waar de Boeddha op mensen afstapt en hen letterlijk de les leest. De Boeddha wijst de jongens echter niet op het lijden van de visjes, hij heeft het uitsluitend over de gevolgen van de acties van de jongens voor hun mogelijke toekomstige bevrijding van het leed.

De vroeg-boeddhistische teksten zijn lessen van de Boeddha die door zijn leerlingen onthouden zijn, en later zijn opgetekend. Hoewel er tussen de regels door veel te vinden is over andere zaken, gaan de sutta’s over het trainen van de geest om tot een einde van het lijden te komen. En om dat lijden te beëindigen, moet een mens zich onthouden van acties die anderen, mens of dier, kwaad toebrengen. Of het nu gaat om het brengen van een dierenoffer of het uitschelden van een os: elk kwaad toegebracht aan een ander heeft effect op iemand. Dat is waar de Boeddha zich mee bezighield, mensen helpen vooruit te komen op het Pad, als ‘onovertroffen coach van diegenen onder de mensen die getraind kunnen worden’. Naast het niet-kwetsen van dieren is ook het helpen van dieren, door ze voedsel te geven bijvoorbeeld, aanbevelenswaardig omdat dana, vrijgevigheid, de eerste basis vormt voor het verwerven van verdienste (DN III 218). Zo gezien lijkt het dat het vroege boeddhisme heel antropocentrisch is en dieren er bekaaid vanaf komen. De Pali-Canon roept niet direct op tot liefde voor dieren, maar als ieder mens zou streven om te leven volgens de ethische regels uit de Pali-Canon, zou het leven van dieren wereldwijd geweldig verbeteren.  

Bronnen
Bodhi, Bhikkhu The numerical discourses of the Buddha: a translation of the Anguttara Nikāya, Boston: Wisdom Publications, 2012 (pg 1533)
De Breet, J. & Janssen, R. De verzameling van numeriek geordende leerredes van de Boeddha, deel 1. Uitgeverij Bodhi, 2016 (pg 274)
De Breet, J. & Janssen, R. De verzameling van numeriek geordende leerredes van de Boeddha, deel 2. Uitgeverij Bodhi, 2016 (pg 69)
De Breet, J. & Janssen, R. De verzameling van korte teksten, deel 1. Uitgeverij Asoka, 2002 (pg 85 en verder)
De Breet, J. & Janssen, R. De verzameling van korte teksten, deel 2. Uitgeverij Asoka, 2007 (pg 113 en 115)
De Breet, J. & Janssen, R. De verzameling van middellange leerredes van de Boeddha, deel 1. Uitgeverij Asoka, 2004 (pg 354)
Shaw, S. The Jātakas, birth stories of the bodhisatta, Oxford: Penguin publications, 2006 (pg 2)
McDermott, J.P. Animals and humans in early Buddhism, in Indo-Iranian Journal 32, 1989: (pg 269-280)





Terug naar Welkom