Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - zomer 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN

Mijn Citaat

De keuze van Achariya Dhammuttamo (Adi Ichsan)


en oud leerling had mij ooit de vraag gesteld: 'Waar kan je de methode van het benoemen van rijzen en dalen van de buikwand lezen in de sutta's?' Verder werd door de yogi ook geconstateerd: 'Zowel in het Satipatthana-, het Mahasatipatthana- als het Anapanasati-Sutta, wordt slechts melding gemaakt van bewustheid van de in- en uitstroom van de adem, maar geen verwijzing gegeven naar het observeren van de rijzende en dalende beweging van de buikwand.'

In die tijd had ik hierop geen antwoord gegeven, omdat voor de vorming van het juiste begrip het nodig was dat de yogi zelf, door zelf te gaan observeren, tot de realisatie van de antwoorden kwam. Traditioneel berust immers de vorming van kennis (P. ñana) volledig op het zelf ontdekken door zelf te ervaren, wellicht onder begeleiding van een dhammavriend die al verder is in het zich ontdoen van conditioneringen (P. sankhara), concepten (P. paññati) en conventionele waarheden (P. sammutti-sacca). Vandaar dat de ontwikkeling van de yogi -traditioneel- toe te schrijven was aan de goede begeleiding en de aanwijzingen van de begeleider. Dit was ook de reden dat het vertrouwen van de yogi in zijn begeleider diep geworteld en onwrikbaar moest zijn.

Tegenwoordig door het internet en toegankelijkheid van de sutta-vertalingen, al dan niet met verlies van de oorspronkelijke betekenissen in Pali, zijn yogi’s geneigd om de aangereikte methodes te gaan toetsen of ze conform de sutta’s zijn of niet, ook al hebben zij meestal niet de benodigde kennis om het goed te kunnen interpreteren. Vandaar dat anno 2017 het niet meer toereikend is voor yogi’s om alleen begeleiding te krijgen bij de meditatie, maar des te meer is het belangrijk om begeleiding te krijgen bij hoe de sutta’s begrepen moet worden. Vipassana wordt in de Mahasatipatthana (DN 22) belicht -zonder genoemd te worden als Vipassana- in de vier grondslagen voor het vestigen van oplettendheid: lichaam (kayanupassana); gevoelens (vedananupassana); gedachten (cittanupassana) en de conditioneringen c.q. de mentale objecten (dhammanupassana).

Het volgen van het rijzen en dalen -van de buikwand- is een onderdeel van kayanupassana. De Boeddha instrueert de monniken in kayanupassana om in alle 4 primaire houdingen (zitten, staan, lopen en liggen) en in de secundaire houdingen (buigen, strekken, optillen, neerzetten, draaien, drukken, raken enz.) het lichaam in het lichaam te observeren:


'En zo leeft hij inwendig in het lichaam het lichaam beschouwend, of uitwendig in het lichaam het lichaam beschouwend, of inwendig en uitwendig in het lichaam het lichaam beschouwend.' DN 22 Vers 5.


Als de Boeddha verder gevraagd wordt hoe het lichaam in het lichaam geobserveerd dient te worden, dan zegt hij:


'En verder, monniken, beschouwt een monnik dit lichaam, in welke positie of houding het dan ook verkeert, als bestaand uit elementen: 'In dit lichaam zijn er het aarde-element, het waterelement, het vuurelement en het luchtelement.' DN 22 vers 12.


Het aarde-element wordt herkend door de yogi als het ervaren van hardheid of zachtheid; het waterelement wordt ervaren als compactheid of losheid; het vuurelement wordt ervaren als warmte of kou en het luchtelement als een bedrukkende gewaarwording of ondersteunende gewaarwording. Zodra de yogi zijn aandacht gevestigd heeft op de beweging van de buikwand, dan volgt de yogi aandachtig de gewaarwording van de beweging tijdens het uitdijen en inkrimpen door de ademhaling, waarbij de gewaarwording van de karakteristieken van de elementen leidend is. De yogi ervaart warmte, hardheid, of een bedrukkend of compact gevoel in de buik. Hierdoor worden twee voordelen behaald voor de yogi: 1. Directe herkenning van het lichaamsgevoel in het fysieke lichaam; en 2. Verplaatsing van de aandacht van begrip naar ervaren. Observeren van de beweging van de buikwand valt dus onder de secundaire houdingen van kayanupassana.

Zodra de yogi de gewaarwording van de buikwand herkend heeft, gaat hij vervolgens beginnen met het benoemen van rijzen en dalen ter bevestiging van de oplettendheid. Maar er is een ander belangrijk aspect verbonden aan rijzen en dalen, met name de herkenning van 'tot stand komen' en 'ten einde komen' van een daad van ademhalen. Want in het begin van de kayanupassana instrueert de Boeddha:


'Of hij leeft de eigenschap van "tot-stand-komen" in het lichaam beschouwend, of de eigenschap van "ten-einde-komen" in het lichaam beschouwend, of de eigenschap van "tot-stand-komen" en "ten-einde-komen" in het lichaam beschouwend.… En hij leeft onafhankelijk, aan niets in de wereld hechtend. Zo leeft een monnik in het lichaam het lichaam beschouwend.' DN22 vers 11


Bewustheid van rijzen en dalen is een directe oefening in het zien van het 'ontstaan' en 'einde' van een mentaal object. Hierdoor gaat de yogi vanaf het begin van de meditatie direct beginnen met het aanschouwen van een object van ultieme waarheid (p: paramattha-dhamma) en laat het begripsmatige aanschouwen (adem in/adem uit) van ademen achter zich. Deze benadering van Vipassana, die tegenwoordig als de Birmese stijl van Mahasi Sayadaw (1904-1982) bekend staat, maar die waarschijnlijk al bekend was met de benadering van Sayadaw Mingun Jetawun (1868-1955), maakt geen gebruik van kalmte-meditatie voorafgaande aan de Vipassana, maar gaat direct naar het aanschouwen van wat 'tot-stand-komt' en wat 'ten-einde-komt', kortom het ervaren en inzien van het ontstaan en het einde van mentale objecten. In de Theravada-traditie staat deze benadering bekend als 'suddha-Vipassana-yanika'  

afkortingen:
DNDigha Nikaya





Terug naar Welkom