Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - lente 2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN

Mijn Citaat

De keuze van Yvon Mattaar


‘Zij die hun geest kunnen beheersen,
die ver afdwaalt en eenzaam zwerft,
onlichamelijk huist in het verborgene –
zij zullen bevrijd worden van de boeien van Māra'

Dhammapada 37

p mijn nachtkastje ligt altijd een boek met Boeddhistische legenden. Het bevat heel diverse verhalen, uit het Pāli vertaald in een stroef, verouderd Engels. Maar de inhoud is vaak tijdloos, zoals het komische verhaal van de neef van Saṅgharakkhita. Deze jongeman bewonderde zijn oom, de monnik Saṅgharakkhita, en hij kon niet wachten tot hij zelf oud genoeg was om tot monnik gewijd te worden en in de voetsporen van zijn oom te treden. Direct na zijn wijding ging hij naar zijn oom: hij wilde het mooiste van zijn twee overkleden aan hem schenken, om zijn eerbied te tonen. Toen zijn oom thuis kwam van zijn bedelronde en rustig zat, begon de jongen hem koelte toe te wuiven met een waaier, en bood hem zijn mooiste overkleed aan. Maar de oom, een Arahat, had totaal geen behoefte aan een mooi overkleed, hij had genoeg aan wat hij had en probeerde zijn neef dat duidelijk te maken. De jongen bleef doorwaaieren, gepikeerd door de weigering van zijn oom. Was hij voor zo iemand monnik geworden? Had hij daarvoor die hele reis gemaakt? Hij kon nu net zo goed uit de orde stappen. Dan kon hij dat overkleed verkopen, en er een mooie geit voor kopen. Een geit die veel melk gaf. Als hij daar genoeg mee verdiend had, kon hij trouwen. En dan zou zijn vrouw een zoon krijgen. En dan zouden ze hun bezittingen op een kar laden, en naar zijn ouders gaan. Zijn vrouw zou het kind willen dragen, maar dat zou haar natuurlijk zwaar gaan vallen na een tijdje, en dan liet ze het kind vallen, en dan... kwam het onder de wagen! Zijn eerstgeborene, dood! En dat was allemaal de schuld van zijn oom, die zijn geschenk geweigerd had! Met een harde klap sloeg de neef zijn oom met de waaier op het hoofd!

Uiteindelijk komt het natuurlijk allemaal goed, en spreekt de Boeddha de woorden tot de jonge neef waarmee ik dit verhaal begon.

Dagenlang heb ik lopen gniffelen: die neef, dat ben ik! Zelfs als het me lukt om tijdens het mediteren mijn gedachten een beetje in te tomen, overdag slaan ze geregeld op hol. Als ik op de fiets zit, op weg naar een afspraak met mijn baas, stel ik me voor wat ik ga zeggen, hoe hij gaat reageren, tot het punt waarop de stoom uit mijn oren komt, woedend ben ik over die stomme opmerking van mijn baas, hoe durft hij... terwijl ik nog niet eens ben aangekomen! Of als mijn hond op de hei achter de horizon verdwijnt, dan loop ik soms letterlijk met tranen in mijn ogen te rouwen om mijn overreden hond als hij blij kwispelend alweer tegen me opspringt.

Dankzij dit verhaal ben ik zover dat ik soms opeens midden in een gedachtestroom in lachen uitbarst: ik ben weer het neefje van Saṅgharakkhita aan het nadoen!  

Bronnen
Burlingame, E.W. Buddhist legends, part II, New Delhi: Munshiram Manoharlal Publishers, 1921, pp. 10 vv.
Breet, J. de & Janssen, R. De verzameling van korte teksten – I, Rotterdam: Asoka, 2002, p. 278





Terug naar Welkom