Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - winter 2016/2017
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN

RECENSIE

Het westerse boeddhisme van Erik Hoogcarspel

Victor van Bijlert

Victor Van Bijlert
et boeddhisme is duizenden jaren oud. Je zou denken dat gedegen kennis ervan nu wel over de hele wereld verspreid is. Veel gebieden en landen in Zuidoost- en Oost-Azië hebben al eeuwen lang ervaring met het boeddhisme, dat ze oorspronkelijk overgenomen hadden uit India en deels Sri Lanka. Het feit dat boeddhisme in allerlei vormen en varianten zich over het enorme Aziatische gebied heeft kunnen verspreiden en handhaven, geeft aan dat de boodschap van universele waarde bleek en zich kon aanpassen aan lokale culturele en religieuze omstandigheden. Met andere woorden, het boeddhisme heeft historisch gezien alle kenmerken van een grote wereldreligie zoals het christendom, de islam en het hindoeïsme.

Ondanks dit alles lijkt het boeddhisme in West-Europa een laatkomer en slecht begrepen. En indien wel goed begrepen, dan is het toch een vreemde eend in de westerse bijt. Het boeddhisme is eigenlijk te oosters en daarom voor het westen misschien ongeschikt, tenzij je een westers boeddhisme kunt construeren.
Dit is de gedachtegang en de vraag achter het zeer opmerkelijke en lezenswaardige boek van Erik Hoogcarspel. Dat Hoogcarspel streeft naar een westers boeddhisme, blijkt al uit de titel. Hij probeert tot een begrip te komen van wie en wat de Boeddha in werkelijkheid was, en poogt te verduidelijken wat de originele leer van de Boeddha behelsde. Om zijn lezers meer ontvankelijk te maken voor de leer en de persoon van de Boeddha legt de auteur ook verbanden met de westerse filosofie, van de oude Griekse tot en met de fenomenologie van Husserl en diens leerlingen en navolgers waaronder Heidegger, Patočka en Richir.

Wat Hoogcarspel beoogt is ‘een poging te doen tot een consistente interpretatie te komen van de kern van de boeddhistische leer’. Deze kern bevat volgens hem geen ‘religieuze elementen, maar … psychologie en filosofie’. In het verdere verloop van zijn betoog houdt hij vast aan deze uitgangspunten. Dit leidt bijvoorbeeld tot een bijna hilarische behandeling van het begrip karma, wat volgens de gangbare klassieke leer de drijvende kracht moet zijn achter de vele wedergeboorten. Volgens Hoogcarspel is de wedergeboorte-leer echter niet van Boeddha zelf. Het begrip karma zou de Boeddha anders hebben opgevat dan de brahmaanse tradities waartegen hij zich afzette. Door het hele boek heen behandelt de auteur leerstukken die tot de boeddhistische scholastiek en dogmatiek horen, en door scherpe analyse laat hij zien hoezeer die leerstukken een brahmaanse achtergrond hebben. Hoogcarspel moet ook niet veel van de religieuze decorstukken zoals rituelen, mythologie en het reciteren van mantra’s hebben. Ze horen niet tot de oude kern van het boeddhisme.

De aanpak van Hoogcarspel is verfrissend. Zeker wanneer hij bekende heilige huisjes omverblaast. Een pleidooi voor nuchtere analyse van de geschiedenis en de doctrines van het boeddhisme, lijkt geen overbodige luxe. In de christelijke theologie en de religiewetenschap is iets vergelijkbaars al jaren gemeengoed.


Toch blijven er twijfels over zijn stellingnames. Men kan het eens zijn met bepaalde leerstellingen uit het boeddhisme of niet. Dit is een kwestie van persoonlijk inzicht en persoonlijke smaak wellicht. Methodologisch blijft er een bezwaar waar minder makkelijk de ogen voor gesloten kunnen worden: namelijk hoe bepaalt men wat de kern van het boeddhisme is. Hoogcarspel noemt in het begin van zijn boek al het principe van consistentie waarmee hij oorspronkelijke leringen van latere metafysische toevoegingen probeert te onderscheiden. Hij gaat er dus van uit dat alles wat in het boeddhisme op metafysica lijkt, van latere oorsprong is en weer binnengehaald is vanuit de brahmaanse tradities, waaronder de teksten van de Upanishads. Voor hem is boeddhisme een filosofie, geen religie. Wat Hoogcarspel opvoert als de kern van de oude leer, blijkt inhoudelijk niet veel te verschillen van wat de standaard boeddhistische, vooral theravada catechisatie ook al leert: vier edele waarheden, achtvoudige weg, vier, later negen trappen van verzonkenheid, de twaalfschakelige keten; zie hoofdstuk drie en vier. Met andere woorden, de gebruikelijke scholastische rijtjes. De schrijver baseert zich voor wat volgens hem de bronteksten van het originele boeddhisme moeten zijn, uitsluitend op de Pali-Canon. Dit kan terecht zijn, maar het blijft een gok. Boeddha sprak waarschijnlijk geen Pali en de Pali-Canon zelf is ergens in de eerste eeuw voor Christus in Sri Lanka pas op schrift gesteld.

Hoogcarspel’s stellige overtuiging dat de Boeddha niets ophad met metafysica en al helemaal niet met de leringen van de brahmaanse Upanishads, beneemt het zicht op andere mogelijkheden en andere interpretaties van het vroegste boeddhisme en van de mogelijke intenties van de Boeddha zelf. Bijvoorbeeld de vraag: is het boeddhisme in oorsprong wel filosofie? Maar misschien was het boeddhisme in zijn eerste aanvang al een diep religieus en metafysisch systeem. Misschien was de oorspronkelijke Boeddha een uiterst charismatische leraar in de trant van de Upanishads, alleen universeler en mensvriendelijker. Misschien was Boeddha een religiestichter die te vergelijken is met Jezus. Misschien was hij wel een soort zenleraar en hebben latere generaties monniken hem allerlei leerstelligheden en wijsneuzigheden in de mond gelegd. Zulke alternatieven voor Boeddha als een leraar filosofie en psychologie stelt Hoogcarspel niet aan de orde. Een beetje onvriendelijk gesteld zou men kunnen zeggen dat de schrijver voor het boeddhisme doet wat negentiende-eeuwse Duitse bijbelgeleerden voor de analyse van het Nieuwe Testament deden. Soms met opmerkelijke nieuwe inzichten maar ook met reducties die we tegenwoordig niet altijd meer onderschrijven.
De verbanden die Hoogcarspel ziet tussen Boeddha en de westerse fenomenologie, vallen buiten de competentie van deze recensent. Ze lijken zeer interessant, maar ook hiervoor geldt: wat weten we met zekerheid over de originele leer en de intenties van de Boeddha om deze verbanden te kunnen leggen?

Het boek heeft een uitgebreide inhoudsopgave, een lijst van geciteerde literatuur, een personenregister en een zaakregister. Dit maakt het boek extra aantrekkelijk voor de belangstellende lezer.  

Bron
Hoogcarspel, E. Het Boeddha-fenomeen. Naar een westers boeddhisme. Leusden: ISVW Uitgevers, 2016. (paperback, 224 blz.)





Terug naar Welkom