Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 9 september 2016
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

RECENSIE

OnZen, het masochistisch universum van Jan Bor

Erik Hoogcarspel

Erik Hoogcarspel
'Even voel ik me bevrijd van alles wat stinkt naar zen. Terwijl ik naar buiten loop, het volle zonlicht in, springt mijn hart van vreugde op en zie ik de glans die over alles ligt.'

an Bor was nog maar drie jaar oud toen zijn tweelingbroer Joep ernstig ziek werd. Dit veroorzaakte bij hem een diepe indruk van broosheid en verlatenheid, die hem altijd bij is gebleven. Het maakte ook dat hij belangstelling kreeg voor filosofie, voor meditatie en voor oosterse tradities. In 1975 was hij een van de oprichters van het meditatiecentrum De Kosmos. Hij kreeg echter al gauw genoeg van het ‘spiritueel amateurisme’, de nooit aflatende toestroom van steeds weer nieuwe en steeds meer buitenissige sekten en goeroes. Drie jaar later klopte hij aan bij de poort van een zenklooster in Japan. Hij bleef er een half jaar, maar volgde daarna nog 10 jaar de leer van zenmeesteres Irmgard Schloegl (Myokyoni, 1921-2007), die een klooster had dicht bij Londen.

De pijn bleef echter, al was het voor Bor ook een bron van kracht. Is afzien echt nodig voor het bereiken van geluk? Hoe dan ook, Bor distantieerde zich langzamerhand van zijn zentraining en zag er steeds meer negatieve kanten van. Zo las hij dat zogenaamd verlichte zenmeesters tijdens de Tweede Wereldoorlog trouwe soldaten werden, die zich uit naam van de keizer aan mensonterende wreedheden schuldig maakten. De onderworpenheid en discipline die er van hem werden geëist, gingen hem tegenstaan. Zen leek steeds meer een leeg ritueel, een traditie die zichzelf had overleefd. Westerse filosofen en ervaringen met bijzondere mensen van voor zijn zentijd kregen meer betekenis voor hem. Het resultaat van zijn innerlijke strijd is het essay OnZen, dat recentelijk bij Prometheus in boekvorm is verschenen. Hierin pleit hij voor een moderne individualistische vorm van spiritualiteit.

Het is een eerlijk essay, moedig, soms zelfs overmoedig gezien de grote aanhang die zen in Nederland heeft. Bor is niet bang zijn nek uit te steken, twijfels te beschrijven en forse kritiek te uiten. Zijn betoog is echter af en toe wat moeilijk te volgen, omdat hij zichzelf soms tegenspreekt, teruggrijpt in de tijd en zijn betoog ondersteunt met verhaaltjes uit diezelfde vermaledijde zentraditie waar hij juist zoveel bezwaar tegen heeft. Hij heeft daarbij de neiging de krenten uit de pap te halen, dus losse citaten die hem van pas komen uit de context te lichten; misschien is er meer spiritueel amateurisme in hem overgebleven dan hem lief is.

In hoeverre heeft hij een punt? Kun je zeggen dat de beoefening van zenboeddhisme een leeg ritueel is dat mensen hooguit van de straat houdt maar slechts in geringe mate tot persoonlijke ontwikkeling leidt? Zijn antwoord op deze vraag is misschien wel de belangrijkste tegenspraak van zijn betoog. Hij neemt zijn hart als bron voor de waarheid, want dit is volgens hem meer fundamenteel dan het denken, maar hij ontkomt er niet aan zijn standpunt te beredeneren. Iets beredeneren vanuit je gevoel is per definitie altijd erg lastig, maar zonder beredenering begrijpt niemand wat je bedoelt. Een redenering is nodig om anderen duidelijk te maken dat je standpunt niet een puur persoonlijke indruk is, maar voor anderen ook geldt. Bor komt er niet helemaal uit en dat maakt dat zijn essay soms wat weg heeft van een hartekreet of een preek.

Omdat Bor zich niet lijkt te hebben verdiept in de geschiedenis van zen, blijft zijn kritiek in de lucht hangen. Hij gaat uit van de vooronderstelling dat de zentraditie vanaf de tijd van de boeddha niet is veranderd, dat de verhalen en koans ware gebeurtenissen weergeven en hij negeert verschillen tussen scholen en tussen zen en het oudere Chinese ch’an.

Zijn inhoudelijke kennis van zen komt nogal oppervlakkig over. Hij schrijft (bladzijde 64, 87) dat de kern van zen taoïstisch is en verstopt zit onder een uiterlijk van rituelen die uit het confucianisme komen. Dit is een aanvechtbaar standpunt, ch’an is geen clubje brave borsten die de ware eenvoud van de Boeddha of de dao in ere hebben gehouden. Koans zijn literaire composities, en er zijn tal van breuken en veranderingen geweest in de geschiedenis van zen. Het is een cultus met een hoog esthetisch gehalte, maar wel boeddhisme (zie bijvoorbeeld Seeing through Zen van John R. McRae).

Heeft Bor dan geen punt als hij zegt dat oosterse tradities ongeschikt zijn voor een westerling om bij zijn ware innerlijk te komen? Ongetwijfeld! Dit geldt zeker voor het boeddhisme, dat leert namelijk dat er geen waar innerlijk is. De grote leegte, waar Bor het in zenverband over heeft, is in wezen het besef dat er niemand mediteert en dus niemand zorgen heeft. Het boeddhisme is daarom totaal ongeschikt voor de moderne spiritualiteit zoals Bor die ziet, maar het past wel in een hedendaagse of postmoderne spiritualiteit. Bor flirt met de protestantse filosoof Søren Kierkegaard en met de middeleeuwse dominicaan Meister Eckhart, in de overtuiging dat alle religie en filosofie één pot nat is. Daardoor lijkt hij te vergeten dat zen in de eerste plaats boeddhisme is. Op de website van het Zen Centre waar hij zijn eerste zen-onderricht kreeg, staat nota bene te lezen dat fundamentele kennis van het boeddhisme een noodzakelijke voorwaarde is.

Bor noemt drie kenmerken van de moderniteit: (1) het besef individu te zijn, (2) rationeel denken als middel tot vrijheid en (3) religie is ondergeschikt aan politiek. Er zijn echter steeds meer redenen om aan de geldigheid van deze uitgangspunten te twijfelen: het modernisme is alweer overgegaan in een postmodernisme. Sinds Nietzsche en Freud weten we dat de wereld niet logisch in elkaar zit en dat je geen baas in eigen brein bent. Een mensenleven is vol ambivalentie en toeval.

Dat verlossing mogelijk is hebben verschillende mensen in de geschiedenis proefondervindelijk bewezen, maar niemand is daarbij op zijn eigen gevoel afgegaan. Wij mensen hebben elkaar nodig.

Heeft Bor dan geen gelijk als hij schrijft: ‘Alleen jijzelf kunt daar (de eigen innerlijke wereld, E.H.) binnengaan’ (bladzijde 156)? Koffie drinken doe je zelf, maar je hoeft de koffie niet zelf te verbouwen of te branden, dat doen mensen die weten hoe het moet. Bor zat zelf in het zenklooster naar de muur te staren, had er zelf mee kunnen ophouden, maar hij hoefde het klooster niet zelf te bouwen. Er is in ons leven niets waar anderen niet bij betrokken zijn, ook ons eigen innerlijk zit vol gedachten en gevoelens van anderen. We hebben onszelf niet uitgevonden. Als dat zo was waren we allemaal boeddha’s. Wij kunnen onze verlossing niet zelf in elkaar knutselen, anders hadden de meesten van ons dat wel gedaan. Je kunt niet eens denken wat je wilt, want om iets te willen moet je het eerst denken. Als Bor het klooster niet had gezien als een verlossingsfabriek, maar als een omgeving waarin de kans op ontstaan van helderheid en besef gunstig is, was hij misschien minder teleurgesteld geweest.

Het meest teleurstellende is echter de passage waarin Bor vertelt hoe hij een kerk bezoekt en daar stilte en veiligheid voelt, waar hij haastig aan toevoegt dat hij weet (sic.) dat deze zich alleen in zijn eigen hart bevinden. Het lijkt alsof hier de aap uit de mouw komt: Bor verlangt naar de knusheid van het katholieke geloof, maar dan wel op een afstandje, want hij staat boven de vrome massa. In de kerk voelt hij zich veilig, beschermd tegen zijn trauma van broosheid en verlatenheid en zijn verstand zegt hem dat de kerk in zijn eigen hart zit. Er is een boze buitenwereld, daar sterven mensen en moet je urenlang op je krent naar een muur zitten staren, als je niet uitkijkt. Daar heb je pijn en angst, maar gelukkig is er ook een veilige binnenwereld, die van een soort geloof in het hogere, van een ietsisme dat vermengd is met eigendunk. Bor staat op de grens tussen oost en west, denken en geloven, wereld en hemel, en aarzelt. Hij zoekt een thuis tussen zijn citaten. Hij is een asielzoeker tussen wereld en geloof, gevoel en rede, leed en zaligheid. Ondanks zijn zentraining leeft hij nog met een soort ongelukkig bewustzijn dat christenen al tweeduizend jaar drijft: de mens is zondig en het vlees is zwak, de hemel een nooit ingeloste belofte en God geeft geen schouderklopjes.

Misschien is het juist dit persoonlijke thema dat het boek interessant maakt, als stof tot bezinning en discussie. De filosofische gedeelten gaan niet erg diep en zijn aanvechtbaar, maar toch kan het boek bijdragen tot een interessante discussie over de mogelijkheid van een westers boeddhisme.  

Jan Bor. OnZen (paperback, 167 blz.). Amsterdam: Prometheus, 2016.

Bron
John R. McRae. Seeing through Zen: Encounter, Transformation, and Genealogy in Chinese Chan Buddhism. University of California Press, 2003.





Terug naar Artikelen