Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 9 september 2016
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Nietzsche en het boeddhisme

Erik Hoogcarspel

Friedrich Nietzsche
even van Friedrich Nietzsche
Friedrich Nietzsche werd geboren op 15 oktober 1844 in het dorpje Röcken bij Leipzig. Toen Friedrich nog maar vijf jaar oud was, overleed zijn vader, die dominee was, en enkele maanden later ook zijn broertje, nog maar één jaar oud. Als kind was Friedrich stil en ernstig, met een zwakke gezondheid. Hij kon echter goed leren en op zijn 25e werd hij benoemd tot professor in de Griekse taal- en letterkunde aan de universiteit van Basel, de jongste in die tijd.

In 1872 schrijft hij Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik (De geboorte van de tragedie uit de geest van de muziek) waarin hij zeer geïnspireerd is door Schopenhauer. In de daaropvolgende boeken neemt Nietzsche daar steeds meer afstand van, hij wil geen verlossing van het leven, hij wil het juist intenser maken, hij wil ‘de aarde trouw blijven’. Hij is materialist: ethiek en geweten zijn voor hem gewoon biologische functies.

In 1879 neemt Nietzsche ontslag om gezondheidsredenen. In 1881 verschijnt Morgenröte (Morgenrood), het begin van zijn campagne tegen zelfopoffering, in 1882 Die fröhliche Wissenschaft (De vrolijke wetenschap), waarin het christendom wordt ontmaskerd als een ideologie van wrok. De vaststelling dat God dood is (ongeloofwaardig geworden door de ontwikkeling van de wetenschap), opent de horizon voor vrije geesten. In 1881 valt hem ook het idee van de 'eeuwige wederkeer' in als lakmoesproef voor de ware Dionysische geest. Later hierover meer.

Tussen 1883 en 1885 verschijnen de vier delen van Also sprach Zarathustra (Aldus sprak Zarathoestra), zijn belangrijkste boek. Zarathoestra leert de Übermensch ('bovenmens') en de voorrang van het leven boven idealen. Minder poëtisch schrijft Nietzsche zijn gedachten neer in Jenseits Gut und Böse (Voorbij goed en kwaad). Dit boek was bedoeld als voorbereiding voor een nooit geschreven systematisch werk, dat Der Wille zur Macht (De wil tot macht) zou gaan heten. In 1889 krijgt Nietzsche in Turijn een zenuwineenstorting en moet worden opgenomen. Hij sterft in 1900 op 25 augustus, na elf jaar lang te zijn verpleegd door zijn zuster Elisabeth. Deze was later een overtuigd aanhangster van het nazisme en heeft haar best gedaan om Nietzsche’s werk in die kringen populair te maken, ze heeft er zelfs in geknoeid. Dit leidde ertoe dat kort na de Tweede Wereldoorlog zijn werk verkeerd is begrepen.

De eeuwige terugkomst van hetzelfde
Het werk van Nietzsche is veelzijdig en niet tot een enkel systeem terug te brengen. Volgens Rüdiger Safranski is de ervaring van de gedachte van de eeuwige terugkomst voor Nietzsche van beslissende betekenis geweest. Het was een indringende ervaring, die hem dagenlang een geweldig gevoel en tranen van vreugde gaf (Safranski: Nietzsche, blz. 225). Met deze gedachte komen we in het hart van Nietzsches filosofie en zo kunnen we het beste iets begrijpen van zijn ideeën over het boeddhisme. In het vierde boek van De Vrolijke Wetenschap wordt de gedachte weergegeven in aforisme 341:

'Het grootste zwaargewicht.
Wat, als op een dag of een nacht een demon je achterna zou sluipen naar je eenzaamste eenzaamheid en tegen je zou zeggen: "Dit leven, zoals je het nu leeft en geleefd hebt, zul je nog een keer en nog ontelbare keren moeten leven en er zal niets nieuws in voorkomen, maar elke pijn en elke lust en elke gedachte en elk zuchtje en al het onzichtbaar kleine en grote van je leven moet weer naar je terugkomen en alles in dezelfde volgorde – en eveneens deze spin en dit maanlicht tussen de bomen en eveneens dit ogenblik en ikzelf. De eeuwige zandloper van het bestaan wordt steeds weer omgekeerd – en jij daarbij, stofje van stof!" Zou je je dan niet op de grond gooien en met je tanden knarsen en de demon vervloeken die zo sprak? Of heb je ooit een geweldig ogenblik beleefd, waarin je hem zou antwoorden: "U bent een god, en nooit hoorde ik iets goddelijkers!" Als die gedachte over je zou komen, zou hij je totaal veranderen zoals je bent en misschien wel vermorzelen. Bij dit alles zou de vraag "wil je dit nog een keer en nog ontelbare keren?" als het grootste gewicht op je handelen liggen! Want hoe zou het met jou en je leven zo goed kunnen gaan dat je naar niets meer verlangt dan naar deze laatste eeuwige bevestiging en bezegeling?' (eigen vertaling)

Nietzsche had al eerder met de gedachte gespeeld, ze werd al in de antieke oudheid verdedigd, maar ook geopperd door fysici uit zijn tijd. Het idee erachter is dat het heelal uit een eindig aantal atomen bestaat (Nietzsche heeft het over krachtcentra) en dat er dus slechts een eindig aantal manieren zijn waarop deze atomen gerangschikt kunnen zijn. Elke toestand van het heelal is een rangschikking van de atomen en omdat de tijd nooit ophoudt, moet deze rangschikking oneindig vaak opnieuw voorkomen. Het kan zijn dat de aarde verschroeit of dat het gehele heelal uiteen spat, maar na verloop van tijd zal er opnieuw een heelal moeten ontstaan en daarin zal elk moment, ook het huidige, weer voorkomen.

Bovenmens
Op een gedenkwaardige dag, de 6e augustus 1881 aan het Silvaplanameer realiseert Nietzsche zich opeens de reikwijdte van deze gedachte. Hij is als door de bliksem getroffen. Elk moment krijgt door deze gedachte opeens de glans van de eeuwigheid. Ondanks alle vluchtigheid van ons leven en de onzekerheid van de toekomst weten we dat elk moment volledig bestaat en nooit zijn geldigheid zal verliezen. Het ‘gewicht’ ervan is dat we ons bij elk moment kunnen afvragen hoe we er in de eeuwigheid mee om willen gaan. Bovendien krijgen we door deze gedachte opeens een besef dat voorbij dit heelal gaat waarvan we als mens deel uitmaken, een besef dat reikt tot aan de eeuwigheid. De eeuwigheid is deel van dit moment zoals dit moment deel is van de eeuwigheid. Deze gedachte verheft ons tot bovenmenselijke, goddelijke status, zij maakt ons tot bovenmens (Übermensch). De bovenmens is Nietzsche's woord voor wijze of misschien zelfs boeddha.

Wat Nietzsche hier bedoelt, is dat elke vooruitgangsideologie ongeloofwaardig is geworden. We zitten in een trein die niet naar een hemels eindpunt onderweg is, maar die terugkeert naar het beginpunt. Elk moment van de reis is echter noodzakelijk. Telkens als je denkt ‘oh, was het maar anders’, houd je jezelf voor de gek met een fantasie, je ontkent wat er is en daarmee jezelf. Daardoor maak je jezelf zwak en ongelukkig. Hoop en vrees voor de toekomst vallen weg door de gedachte van de eeuwige wederkeer, het heelal wordt een spel waar je deel van uitmaakt maar waar je tegelijk in gedachten in een eeuwig nu bovenuit stijgt. Elke gedachte aan een ontsnapping naar een hemel of een nirvana vindt Nietzsche een ontkenning van wat je bent. Hij gaat er hierbij wel vanuit dat ons bewustzijn geen chemisch proces is en dat we in onze gedachten vrij zijn, want anders is er geen verheffing mogelijk (ook geen nirvana overigens). De eeuwige terugkeer is niet bewezen, maar Nietzsche gelooft niet in een wetenschappelijke waarheid, het gaat hem om de kracht, het transformerende effect van de gedachte.

In sommige passages wijst Nietzsche het boeddhisme af, samen met de filosofie van Schopenhauer. In ‘Der Antichrist’ (1888, §20) schrijft hij echter dat het boeddhisme weliswaar nihilistisch is (dus het leven afwijst), maar ook positivistisch, omdat het niet de zonden van de mens wil wegnemen, maar het lijden. Het is dus voorbij goed en kwaad, nuchter en objectief en bovendien wars van rituelen. Het boeddhisme kent geen ressentiment of wrok of andere ongezonde emoties, zoals schuld of onderworpenheid. Hij verwijt de boeddha wel een soort egoïsme, omdat ieder voor zich de verlossing moet vinden en de verloste geen rol krijgt in de samenleving.

Doorvragen
Tot zover Nietzsche’s oordeel over het boeddhisme, dat gebaseerd is op het beperkte aantal teksten waar hij toegang toe had. Hoe zit het met de inhoudelijke kant? Kunnen we in de leer van de eeuwige terugkomst van het gelijke boeddhistische principes herkennen? In hun meditatie concentreren boeddhisten zich op wat zich in het moment voordoet, meestal de ademhaling. Verleden en toekomst laat je los en soms valt het tijdsbesef even weg. De gedachte van de terugkomst komt misschien in de buurt van dit loslaten van de tijd. Nietzsche wilde het leed aanvaardbaar maken door in te stemmen met het leven. Iemand die mediteert loopt ook niet weg, hij of zij aanvaardt de onrust, de dragelijke pijn (in een knie, in de rug) om deze los te kunnen laten. Nietzsche wijst het nirvana echter af omdat hij vindt dat dit een soort zelfontkenning is, maar is dit wel zo? Wat Nietzsche niet heeft begrepen, en hij is beslist niet de enige, is dat de weg van de boeddha, net zoals zijn eigen filosofie, er niet één is van het wegvluchten van het leven, maar van de transformatie ervan.

Nietzsche is ten slotte ook voor boeddhisten een interessante denker, niet omdat hij schrijft hoe het is en hoe het moet, maar omdat hij confronteert, doorvraagt, heilige huisjes verplettert en dogma’s onderuit haalt. Voor wie het aandurft kan hij een vriend zijn die helpt dieper over je eigen leven en het boeddhisme na te denken.  

Bronnen
Safranski, Rüdiger. Nietzsche, A Philosophical Biography, translated by Shelley Frisch. London: Granta Books, London, 2002.

Boeken van en over Nietzsche zijn te downloaden via
www.holybooks.com
www.gutenberg.org





Terug naar Artikelen