Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 10 juni 2016
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

De bekering van de moordenaar Angulimala

Naverteld door Jan de Breet

Angulimala (‘Vingerkrans’) was de bijnaam van een beruchte moordenaar die door de Boeddha tot inzicht kwam en zelfs een arahat werd. Hij was de zoon van de brahmaan Bhaggava Gagga, die de hofpriester was van de koning van Kosala, en een vrouw uit de Mantani-familie.

olgens de legende werd hij geboren onder het ‘sterrenbeeld van de rovers’ en kwam er op de nacht van zijn geboorte een glans over alle wapens in de stad, ook over die van de koning. Dit betekende dat het kind voorbestemd was voor een leven in de misdaad. Om een positief ideaal in de geest van het kind te planten, als tegengif tegen zijn horoscoop, werd het kind Ahimsaka (‘Geweldloze’) genoemd. Hij ging studeren aan de beroemde universiteit van Takkasila, waar hij de favoriete leerling van zijn leraar werd. Maar zijn jaloerse medestudenten wisten zijn leraar zo wantrouwig tegenover hem te maken dat deze hem dood wenste. Om dit te bereiken, eiste hij aan het einde van zijn studie als honorarium van hem duizend menselijke pinken van de rechterhand. Daarop trok Ahimsaka het Jalini-bos in en overviel reizigers, en later ook dorpelingen in hun huizen, doodde hen en sneed hun een vinger af. De vingerbotjes die hij zo verkreeg, hing hij als een krans om zijn nek. Vandaar zijn bijnaam Angulimala.
Vanwege de toewijding waarmee hij de duizend vingers verzamelde, zag de Boeddha in dat hij een goede basis voor het arahatschap had. Daarom zocht hij hem op in zijn bos.

‘Sta stil, asceet!’
Angulimala strip
De Boeddha begaf zich van Savatthi, de hoofdstad van het koninkrijk Kosala, naar het Jalini-bos over de handelsweg die daardoorheen liep. Dit was meerdere dagen lopen. Toen hij in de buurt kwam, werd hij door allerlei mensen gewaarschuwd dat hij die weg niet moest nemen, omdat de rover Angulimala er rondwaarde, die reizigers overviel en vermoordde. Ze zeiden dat mensen over die weg altijd in groepen van minstens tien reisden, en dan nog werden ze door Angulimala overmeesterd. Maar de Boeddha negeerde die waarschuwingen en liep zwijgend verder.

Angulimala zag de Boeddha al van verre aankomen. Hij was zeer verbaasd dat de Boeddha alleen door zijn domein durfde te reizen en besloot hem te doden. Toen de Boeddha hem gepasseerd had, ging hij achter hem aan lopen. Maar ‘door de wonderkracht van de Boeddha’ lukte het hem niet deze in te halen. Daarop stond hij stil en riep: ‘Sta stil, asceet!’
De Boeddha: ‘Ik sta stil, Angulimala. Sta jij ook eens stil!’
Angulimala: ‘Hoe kun je zeggen dat jij stilstaat en ik niet stilsta?’
De Boeddha: ‘Angulimala, ik sta stil omdat ik voor altijd tegen alle wezens geweld heb afgezworen. Maar jij houdt je niet in tegen levende wezens. Daarom sta ik stil en sta jij niet stil.’

De laatste woorden zorgden voor een omslag in het denken van Angulimala. Hij wierp zijn wapens weg en vroeg de Boeddha ter plekke om opname in de monnikenorde, die de Boeddha hem verleende met de woorden van het eerste uur van de Sangha: ‘Kom, monnik!’
Daarop aanvaardde de Boeddha de terugtocht naar Savatthi, met de bekeerde rover in zijn kielzog. Na enige dagen bereikten ze de stad en namen hun intrek in het Jetavana, het park van Anathapindika, buiten de muren gelegen.

Monnik
In die tijd was er ook iets buiten de stad een vluchtelingenkamp ontstaan van mensen die gevlucht waren voor de terreur van Angulimala. Zoals wij uit recente berichten weten, is het leven in zo’n kamp geen pretje en er had zich bij de poort van het paleis van koning Pasenadi een grote menigte van vluchtelingen verzameld, die eiste dat de koning een einde zou maken aan de terreur van de moordzuchtige rover. Pasenadi begaf zich daarom met een groot leger richting het Jalini-bos om te proberen de schurk in te rekenen. Onderweg kwam hij langs het Jetavana en stopte daar om de Boeddha eer te bewijzen.

Toen hij zijn relaas gedaan had, vroeg de Boeddha hem wat hij zou doen als hij zou zien dat Angulimala een thuisloze asceet was geworden; dat hij zich onthield van moorden, roven en liegen; dat hij slechts eenmaal per dag at, celibatair leefde en deugdzaam was. De koning antwoordde dat hij hem dan eerbiedig zou bejegenen en hem kleding, voedsel, onderdak en medicijnen zou aanbieden, en een vrijgeleide voor hem zou regelen. Toen wees de Boeddha op de ex-rover, die niet ver van hem vandaan zat, en zei: ‘Dit, majesteit, is Angulimala!’ Daarop schrok Pasenadi hevig en verstijfde. Maar de Boeddha wist hem ervan te overtuigen dat van Angulimala niets meer te vrezen viel, waarna hij kalmeerde. Hij ging naar de nieuwbakken monnik toe en vroeg of hij werkelijk Angulimala was. Toen deze dit bevestigde, bood hij hem, zoals hij eerder aangekondigd had, kleding, voedsel, onderdak en medicijnen aan, maar Angulimala antwoordde: ‘Dank u, majesteit, ik heb al drie gewaden.’ Daarop uitte de koning zijn bewondering tegenover de Boeddha dat deze erin geslaagd was die woeste rover en moordenaar zonder geweld te temmen, waarna hij vertrok.

Ontwaken
De volgende ochtend zag Angulimala tijdens zijn bedelronde door Savatthi een vrouw die in ernstige barensnood verkeerde en wier kind dreigde te sterven. Dit raakte hem diep en na de maaltijd ging hij naar de Boeddha toe om het hem te vertellen. De Boeddha zei: ‘Ga dan terug naar Savatthi en zeg tegen die vrouw: “Sinds mijn geboorte, zuster, herinner ik mij niet opzettelijk een levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge deze waarheid jou en jouw vrucht tot heil strekken!”’ Angulimala protesteerde: dit zou een bewuste leugen zijn. De Boeddha paste daarop de toe te passen bezwering aan. Het moest worden: ‘Sinds ik in edele geboorte herboren ben, zuster, herinner ik mij niet opzettelijk een levend wezen van het leven beroofd te hebben. Moge deze waarheid jou en jouw vrucht tot heil strekken!’ Angulimala ging vervolgens naar die vrouw toe en sprak de bezwering uit. Daarop keerde de situatie voor de vrouw en het kind ten goede. Enige tijd later, toen hij teruggetrokken in de wildernis leefde, kwam Angulimala tot ontwaken en werd een heilige.

Later gebeurde het dat Angulimala tijdens zijn bedelronde door enige mensen herkend werd. Zij bekogelden hem met aardkluiten, stokken en grind, waardoor hij gewond raakte. Daarop ging hij met bloedend hoofd, gebroken bedelnap en verscheurde mantel naar de Boeddha toe. Deze zag hem van verre aankomen en zei tegen hem: ‘Verdraag het, brahmaan! Je ervaart nu in dit leven de vrucht van de daden waarvoor je anders vele jaren, vele honderden jaren, vele duizenden jaren in de hel gekweld zou worden.’ Dit kwam diep binnen bij Angulimala en na zich teruggetrokken te hebben, ervoer hij het geluk van de bevrijding en verwoordde dit door spontaan enige plechtige verzen uit te spreken die later opgenomen zijn in de Theragatha, de verzen van ontwaakte, verlichte monniken.

Commentaar
Angulimala story
Bij zo’n verhaal als het voorgaande dringt zich natuurlijk de vraag op hoe geloofwaardig het is dat een gevaarlijke seriemoordenaar tot inkeer komt en zelfs een heilige (arahat) wordt. Hoewel geen van de oude bronnen ons enig inzicht geeft in de innerlijke kant van Angulimala’s transformatie, mogen we aannemen dat de confrontatie met de Boeddha en diens indringende woorden hem ertoe in staat stelde in een flits het peilloze leed te zien waarin zijn leven verstrikt was geraakt, en de nog grotere misère die hem wachtte als zijn slechte karma zou uitrijpen. Hij moet hebben beseft hoezeer hij het slachtoffer was geworden van zijn eigen blinde onwetendheid, en het moet hem duidelijk geworden zijn dat de enige manier waarop hij kon ontsnappen aan de duistere consequenties van zijn daden, die als een zwaard van Damocles boven hem hingen, was de wortel zelf van alle wedergeboorte en lijden uit te trekken. Daar hij inzag dat er geen hoop voor hem was in de wereld, moest hij zich wel overgeven aan het vooruitzicht van definitieve verlossing, door het overwinnen van de illusie van zijn zelf. Dit dreef hem ertoe de radicale stap te zetten van volledige wereldverzaking door toe te treden tot de Sangha en een spirituele zoon van de Ontwaakte te worden, zijn verlosser en toevlucht.  

Bronnen
Jan de Breet en Rob Janssen (vert.), Majjhima-Nikaya – De verzameling van middellange leerredes, deel 2, Asoka, Rotterdam, 2004, pp. 359-368
Nyanaponika Thera en Helmuth Hecker, Great Disciples of the Buddha: Their Lives, Their Works, Their Legacy, Wisdom Publications, Boston, 2003, pp. 317-333





Terug naar Artikelen