Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 9 september 2015
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Het verscheiden en verschijnen van het zelf

Erik Hoogcarspel

Erik Hoogcarspel
r zijn verschillende woorden die met het zelf te maken hebben, zoals ‘subject’, ‘ik’, ‘persoon’, ‘ego’, ‘imago’, ‘zelfbeeld’ en ‘eigenheid’. Deze termen worden niet altijd met dezelfde betekenis gebruikt.

Aspecten van het zelf

Hoe tref ik mijn zelf aan? Op dit moment zit ik te typen en ik weet dat ik dat doe. Dit is het pure zelf, de zelfervaring of het zelfgevoel dat mij overkomt als ik mijn aandacht richt op mijn handelingen of gedachten, zonder dat ik er helemaal in opga. Dit zelfgevoel is er niet altijd, maar het is wel altijd mogelijk. Meestal wordt mijn aandacht helemaal in beslag genomen door wat ik doe of denk. Dit zelfgevoel, deze zelfbespiegeling, is echter leeg. Het heeft geen eigenschappen, het is niet blij of treurig, groot of klein enzovoort, en ik kan het niet beschrijven. Wanneer ik mezelf in de spiegel zie of wanneer ik mij moet voorstellen en iemand me vraagt of ik iets over mezelf wil vertellen, is er een ander zelf aan de orde. Dit is niet leeg. Wat ik dan zie of wat ik dan vertel, is wat ik van mijzelf vind. Laten we dit het zelfbeeld noemen.

Dit is niet wat anderen van mij vinden, want een ander heeft altijd een ander beeld van mij dan ikzelf heb. Hij heeft altijd een ander perspectief. Als ik over straat loop, reageren mensen elk op hun eigen manier op mij. Wat ik denk dat anderen van mij vinden, kunnen we mijn imago noemen. Dit verschilt van wat ze echt van mij vinden – dat zal ik nooit weten. Dit zouden we mijn persoon kunnen noemen. Vaak verschillen imago en persoon van elkaar. Bijvoorbeeld bij de narcist, die zo vol is van zijn imago dat hij zich niet kan voorstellen dat de meeste mensen zijn persoon niet interessant vinden. Door allerlei tekens of betekenisvol gedrag laten mensen elkaar weten hoe ze elkaars persoon ervaren. Daardoor stellen ze hun imago bij.

Zelfbeeld, imago en persoon zijn de aspecten van ons zelf die we direct ervaren. Ze ontstaan zonder dat we erbij hoeven na te denken. We ervaren echter ook ons optreden in een wereld vol met dingen en mensen. Hierdoor komen we ertoe om ons een voorstelling te maken van onze plaats in die wereld. We merken zo dat we subjecten zijn, dat wil zeggen: eenzijdige perspectieven op een objectieve wereld (zie onderstaande figuur).



Al de aspecten van het zelf zijn af en toe opgedoken en dan weer vergeten in de analyses van de filosofen. De praktijk zal in vele gevallen zijn afgeweken, maar dit is het terrein van sociologen en historici. Zeker is dat het zelf en de wereld een nauwe relatie met elkaar hebben. Daarbij zeggen opvattingen over het zelf veel over de manier waarop mensen hun wereld ervaren. Ik zal nu proberen in twee grote stappen een schets te geven van de avonturen van het zelf in het moderne Westen.

Het gedachte zelf

René Descartes (1596-1650) heeft het moderne zelf uitgevonden. Dit is geen natuurproduct, maar een zelf dat zichzelf uitvindt door zichzelf te denken. Descartes heeft het vertrouwen verloren in de filosofische traditie. Zijn eerste stap is oude overgeleverde meningen opruimen. Hij doet dit door een methodische twijfel aan alles, dit wil zeggen: hij doet alleen alsof hij twijfelt. Hij stelt zich voor dat alles wat hij weet onwaar is, dat alles wat hij ervaart anders is dan hij denkt. Stel dat de wereld een droom of een luchtspiegeling is, is er dan iets waarvan je toch zeker kan zijn? Is er een waarheid die niemand kan ontkennen?
René Descartes

In de volgende stap verschuift Descartes zijn aandacht van datgene waaraan hij twijfelt naar het ervaren van de twijfel zelf. ‘Ik kan’, schrijft Descartes, ‘er niet onderuit toe te geven dat ik het niet weet, dat ik twijfel.’ Als ik me echter realiseer dat ik twijfel, besef ik tegelijk dat ik besta, want iemand die niet bestaat, kan niet twijfelen. ‘Cogito ergo sum, ik denk dus ik ben’, schrijft hij opgelucht op.

Het zelf van Descartes is dus geen zelf dat zichzelf ondervindt, geen zelfgevoel, maar een bewezen zelf, een rationeel zelf. Hoe moeten we ons dat lege zelf voorstellen? Descartes vindt het vanzelfsprekend dat dit zelf iets is wat op zichzelf bestaat en niet van andere dingen afhankelijk is. Het heeft zichzelf immers ontdekt door zijn eigen activiteit. Het is een substantie die denkt. Het is niet materieel, want je kunt het niet vastpakken. Bovendien is materie datgene waarover wordt gedacht en waarvan de wetten door de wetenschap worden ontdekt. Materie is een substantie die meetbaar is en bestaat ook op zichzelf. Het is eveneens, net als de denksubstantie, maar het heeft als essentiële eigenschap dat het ruimte inneemt. Waar is nu de twijfel gebleven? Deze blijkt slechts een middel te zijn om tot de waarheid te komen en wordt daarna vergeten.

Het opmerkelijke aan dit cartesiaanse zelf is dat het alleen bestaat uit denken en dat de andere aspecten, zoals zelfgevoel, persoon, imago en ziel, geen enkele rol spelen. Blijkbaar passen ze niet in het rationalistische model. Descartes kan op geen enkele manier verklaren hoe de geest het lichaam kan laten bewegen. Hij legt ook niet uit waarom die geest dit zou willen. Wat voor belang zou een geest hebben, die op zichzelf kan bestaan en niet door materiële standen van zaken kan worden beïnvloed, om zich iets van dit aardse tranendal aan te trekken? Anderen zijn volgens deze geest alleen maar verschijnselen. Als hij vanuit zijn raam naar de straat kijkt en mensen voorbij ziet komen, merkt hij onder andere op dat hij niet door waarneming kan vaststellen of wat hij ziet wel echte mensen zijn. Misschien zijn het wel automaten! Leven is een natuurkundig proces geworden en in principe verklaarbaar, net als het weer of een muziekdoos.

Het wetenschappelijke zelf

Daniel Dennett (1942- ) constateert dat er geen zelf bestaat. Het is een soort generalisatie van iets wat bij nadere beschouwing een verzinsel is. Verantwoordelijkheid bestaat niet, omdat beslissingen nooit plaatsvinden. Als we het gevoel hebben iets te hebben besloten, kunnen we alleen vanuit onze herinnering constateren dat we eerst nog niet hadden besloten en even later wel. We hebben geen enkele herinnering aan de beslissing en kunnen ook niet uitleggen hoe we beslissen. Als bijvoorbeeld iemand niet kan schaatsen, kun je dat voordoen en kan de betreffende persoon het op die manier leren. Als iemand echter niet kan beslissen, is er weinig wat je kunt doen. Volgens Dennett is er niets wat we feitelijk kunnen toeschrijven aan een zelfstandig beslissend zelf. Als kind volgen we onze impulsen en voelen we ons geen verantwoordelijke individuen. Dit leren we later.
Daniel Dennett

Hoe komt het dat we meestal erg voorspelbaar zijn als we beslissingen nemen? ‘We zijn systemen die informatie verwerken en alle systemen die informatie verwerken, maken gebruik van één of ander soort versterkers. (…) Een systeem dat informatie verwerkt, is in wezen een organisatie van schakels of schakelaars’, aldus Dennett. De beslissing ontstaat dus door een ingewikkeld systeem dat via allerlei prikkels tot reacties komt. Hoe dat komt, onttrekt zich aan onze waarneming. Met deze truc heeft Dennett zichzelf weggeschreven. Dennett bestaat niet, wij bestaan niet. Het zijn neuronen die hun werk doen en het resultaat is een boek dat hij nooit heeft willen schrijven en dat wij niet lezen. Het lijkt alleen maar zo dat hij het heeft gedaan, maar neurologen weten wel beter. Voor deze prestatie werd hij alom geëerd en hij moet er best tros op zijn geweest, of misschien waren zijn neuronen dat wel. Toch een opmerkelijke prestatie voor iemand die niet bestaat.

Het zelf is in de moderniteit verdwenen, vermoord, net zoals God is gedood – beide door de wetenschap. De mensen leven echter verder alsof er niets is gebeurd. Friedrich Nietzsche heeft in 1882 de dood van God aangekondigd. Hij had ook de dood van het zelf kunnen aankondigen. Men is niet anders gaan leven. Je zou kunnen spreken van een dodencultus van het zelf, een leeg narcisme. Het is de cultus van het selfie met idealen die zo oppervlakkig zijn dat ze op de huid worden getatoeëerd. Een cultus met als tegenhanger een religieus banditisme in het Midden-Oosten en de aanbidding van een anoniem financieel ruilsysteem waar waarden uit het niets worden geschapen en weer in hetzelfde niets verdwijnen. En toch leven de mensen gewoon door, nemen beslissingen, voelen zich trots of schuldig, enzovoort. Hoe is dat mogelijk? Hebben we iets overgeslagen?

Het verschijnende zelf

Het zelf is vermoord door de wetenschap, het dagelijkse leven gaat gewoon door. Als je naar het ziekenhuis moet voor een medische ingreep, ben je niets meer dan een medisch geval en moet er iets in je lichaam worden hersteld. Ook in het bedrijfsleven en in de economie draait het allemaal om cijfers, berekeningen en statistieken. Als tegenhanger wordt koppig de mythe van de geniale bedrijfsleider in stand gehouden. Als enig individu met een zelf krijgt hij absurd hoge beloningen, net als de chirurg die in het ziekenhuis ontzelfde lichamen repareert. Dit is een aspect van de dodencultus van het zelf.

In de rede ‘De crisis van de Europese wetenschappen en de transcendentale fenomenologie’ legt de filosoof Edmund Husserl (1859-1938) in 1935 uit dat de wetenschappen in een crisis verkeren. Ze hebben het contact met de wereld van alledag verloren, terwijl zij hieruit niettemin zijn voortgekomen en hun betekenis eraan ontlenen. Husserl pleit voor een herstel van de relatie tussen de wetenschap en de leefwereld en stelt voor dit te doen via een nieuwe, door hem ontwikkelde filosofische methode: de fenomenologie.

Om te begrijpen wat fenomenologie is, kunnen we misschien het beste het zelf als voorbeeld nemen. Het moderne zelf verdween in de afgrond die ontstond tussen redeneringen en waarnemingen. Dat betekent niet dat het zelf uit het dagelijkse leven is verdwenen. Hoe overbrug je de kloof tussen de wetenschap en het dagelijkse leven? Husserl komt met een eenvoudig voorstel: laten we teruggaan naar de dingen zelf! Hebben we dat niet altijd al gedaan? Wat Husserl bedoelt, is dat het zelf zich eerst op een of andere manier aan ons heeft voorgedaan, voordat we met allerlei theorieën erover zijn gekomen. Hij wil terug naar het zelf zoals het zich openbaart. Het enige wat we moeten doen, is onze aandacht beperken tot de manier waarop het zelf zich aan ons voordoet en daarbij al het andere ter zijde laten. Vragen zoals ‘Bestaat het zelf?’ zijn even niet interessant. Hij noemt dit de fenomenologische reductie, het beperken of reduceren van de aandacht tot het fenomeen zelf. Het blijkt dan dat dit zelf zoals het zich voordoet niet een op zichzelf bestaand geïsoleerd ding is. Het kan alleen bestaan in relatie tot andere zelven en een wereld van feiten. De wereld waaraan we zonet juist niet dachten, wordt door het fenomeen teruggehaald.

Mijn zelf is datgene waarvoor er een wereld is en de wereld is datgene waarvoor er een zelf is. Ik zit niet in de wereld, zoals een mobiel in een hoesje of zoals een stoel in de kamer staat: ik leef voor de wereld, naar de wereld, met betrekking tot de wereld. De wereld is geen planeet in een oneindige ruimte, maar de samenhang van de dingen en mensen, van veiligheid en gevaar, van plaatsen en tijden. Ik kan niet aan de wereld meedoen zonder aan mezelf te verschijnen (dus een ik te zijn). Dit wil zeggen dat ik voor mezelf moet zorgen (waardoor de ziel verschijnt), me met anderen moet verhouden (waardoor zelfgevoel, imago en persoon ontstaan) en onderhevig ben aan standen van zaken (zodat ik een subject ben). Mijn lichaam is het symbool en de samenhang van mijn verschijning in de wereld. Er is dus een natuurlijke splitsing van het zelf. Enerzijds is er het empirische zelf, dat is het zelf dat aan de wereld deelneemt. Anderzijds is er het zelf dat dit deelnemen beseft, er getuige van is. Dit is het transcendentale ego of zelf. Deze splitsing en de erbij horende spanning ervaren we elk moment, het is het onderwerp van ons levensverhaal.

Het merkwaardige van dit opstel is dat het gaat over iets waar de lezer net zoveel van weet als de schrijver. Ik zal daarom heel erg tevreden zijn als u, lezer, het gevoel hebt dat u alles wat u gelezen hebt altijd al hebt geweten. Je weet dit echter alleen als je erover hebt nagedacht.  

Bronnen
Dennett, Daniel C., Elbow room. Oxford: Oxford U.P., 1984
Descartes, René, Méditations Métaphysiques. Paris: Garnier-Flammarion, 1979
Husserl, Edmund, Logische Untersuchungen. Tübingen: Max Niemeyer Verlag, 1900





Terug naar Artikelen