Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 7 december 2015
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

‘Ik heb niks met heiligheid’

Kees Moerbeek

aramitra, ‘Dierbare Vriend’, is naast zijn werk voor Boeddhistisch Centrum Haaglanden hoofd boeddhistische geestelijke verzorging voor gedetineerden bij het ministerie van Veiligheid & Justitie. Sinds 2 oktober is hij – als opvolger van Rob Janssen – voorzitter van de Vrienden van het Boeddhisme. Zomaar een paar vragen aan Varamitra.


Het boeddhisme in Nederland bestaat inmiddels een halve eeuw. Wat is de kern van dat boeddhisme?

Varamitra
‘Tegen mensen die nieuw in ons centrum komen, zeg ik: “Je komt hier niet voor jezelf, maar voor de ander.” Dat stelt ze soms teleur. Het gaat om het welzijn van alle levende wezens. Je werkt aan je eigen ontwikkeling ten behoeve van de anderen, niet over de rug van een ander. Jouw welzijn heeft zijn weerslag op die ander. Het volgen van de Weg is geen individuele zaak. Het is niet toevallig dat het Derde Juweel de gemeenschap is van de beoefenaren van de dharma: de sangha. We zitten met z’n allen in een soort slijptrommeltje vol juwelen. Je slijpt jezelf glad langs de wand en langs elkaar!’

Elke Nederlandse stad heeft boeddhistische centra, maar de neiging om iets samen te doen, is niet bijster groot.

‘Zeker. Tibetaans boeddhisme en zen arriveerden in dezelfde tijd in West-Europa en Noord-Amerika. In Sri Lanka zijn boeddhisten ook niet hetzelfde, maar ze behoren wel tot dezelfde stroming. In boeddhistische pelgrimsplaatsen zoals Bodnath zie je de diversiteit ontstaan. Er zijn Japanse, Chinese en Thaise boeddhistische groepen, die er hun tempel hebben, maar ook zij zijn op zichzelf. Er bestaan allerlei lekenbewegingen, die georganiseerd zijn rond een bhikkhu. Zoals wij in de jaren vijftig tegen priesters en dominees opkeken, zo kijkt men in Zuidoost-Azië tegen een boeddhistische monnik op. De commercie heeft er toegeslagen. Je kunt op de markt offergaven kopen, die bij het klooster worden afgegeven. Dat is ontnuchterend voor iemand met een mythisch beeld over het Aziatisch boeddhisme. Met het stijgen van de welvaart wordt men ook daar kritischer over wat monniken al dan niet doen. Daarentegen vind ik de Thaise boeddhistische vrouwenlekenbeweging fascinerend. Ze doen enorm goed werk.’

Typisch voor westerse boeddhisten is dat ze veel lezen over boeddhisme en vooral veel mediteren.

Devotie
‘Dat klopt. Ik heb een aantal keren bij een Tibetaanse familie gelogeerd in Noord-India, aan de voet van de Himalaya. Ze hadden een schooltje voor weeskinderen, waar ook een lama aan verbonden was. Hij ging dood en zijn reïncarnatie werd in de familie geboren. Ze vonden dat maar niks, want het kind moest naar een klooster. De moeder zei op een bepaald moment tegen me: “Ik moest toch maar eens naar het klooster gaan om te weten te komen waar het boeddhisme allemaal over gaat. Jij weet daar alles van, ik weet niets.” Ik antwoordde: “Ik weet het, maar jij doet het!” We moesten er allebei om lachen.’

In je interview met Elze Riemer, ‘Boeddhist, kom van je kussen!’, zei je dat boeddhisten van hun kussentje af moeten komen. Waarom?

‘Omdat het een klein aspect van de beoefening is. Boeddhisme is veel meer dan meditatie, het is ook devotie en rituelen en uitreiken naar de ander. In de jaren tachtig reisde ik door Azië. De boeddhisten die ik tegenkwam, zeiden: “Wat is dat toch met dat mediteren van jullie?” Ook omdat 99 van de 100 westerse boeddhisten leek is. Aziatische boeddhisten mediteren zelden, ze verrichten vooral goede werken. Hoe dat mediteren is ontstaan? In de jaren vijftig, zestig was mediteren het ding en het ik stond centraal. Dat was onze kennismaking met boeddhisme. Het zou mooi zijn als er meer balans bestond tussen het naar binnen gaan, wat meditatie is, en het naar buiten treden. De Boeddha heeft het in zijn leerredes over van alles en nog wat gehad, maar er zijn maar weinig leerredes waarin mediteren centraal staat. Hij had het over praktische zaken en concrete sociale vaardigheden. Het is niet verkeerd om daarop te reflecteren. Het is wel de bedoeling dat je die vaardigheden ontwikkelt, dat je een beter mens wordt en daardoor meer voor de wereld kunt betekenen. Mediteren kan geen kwaad, maar breng het ook in praktijk. Al oefen je alleen maar in vrijgevigheid, de eerste van de tien paramita’s. Vrijgevigheid hoeft niet materieel te zijn, het is vooral ook immaterieel in de zin van tijd en aandacht besteden aan anderen.’

De Boeddha wilde de mensheid bevrijden van het lijden. Is het boeddhisme in Nederland − heel zwart-wit gesteld − een sociale beweging, of een onderdeel van de ‘markt van welzijn en geluk’?

‘Allebei eigenlijk, maar het hangt nu vooral nog in de sfeer van persoonlijkheidsontwikkeling. Mensen willen aan zichzelf werken, zoals dat heet. Het is maar een klein groepje boeddhisten dat er echt voor gaat. Ik vind het al prima dat mensen kennismaken met het boeddhisme en dat het hun leven verrijkt, zonder dat ze hun ziel en zaligheid erin storten. Het is net als met voetballen. Je hebt mensen die in de Champions League voetballen, maar er zijn er ook die een balletje trappen tegen een muurtje, en alles wat daartussen zit. Ondertussen is de aanhang al een doorsnee van de samenleving.’

Wat beweegt ze?

Devotie
‘Vooral nieuwsgierigheid, vermoed ik. Er wordt veel “gezocht”. Drie miljoen mensen in ons land voelen zich religieus, zonder een stevige binding met een traditie. Daar zitten veel katholieke en christelijke kerkverlaters onder. Ze zoeken bij anderen en komen vaak bij het boeddhisme kijken. Het boeddhisme is wat dat betreft toegankelijker geworden. Je komt het overal tegen en heel subtiel zie je dat mensen zich erdoor laten beïnvloeden, zonder dat het boeddhisme genoemd wordt. Het is zorgelijk dat het een kleine groep is die het draaiende houdt. Het zou een steviger basis moeten hebben: het ijs is dun. Er is geen gezaghebbend iemand in Nederland die er nationaal uitspringt als een boegbeeld. Soms zou dat niet verkeerd zijn.’

Waarom?

‘Er lopen allerlei maatschappelijke discussies, maar het is hoogstzelden dat er vanuit boeddhistisch perspectief naar de onderwerpen gekeken wordt. Het zou mooi zijn als dit wel gebeurde, misschien zou het zelfs een verrijking zijn. Wat mij betreft wordt dit de insteek van de door de Vrienden georganiseerde themabijeenkomsten. De eerstvolgende in het voorjaar van 2016 heeft als thema “een zelfgekozen dood”.’

Wat is volgens jou de taak van de Vrienden van het Boeddhisme?

‘De Vrienden hebben verschillende boeddhistische achtergronden, maar ik heb geen precies beeld van hun profiel. We hebben een overstijgende taak. De Vrienden zijn een platform van boeddhisten en zouden moeten bijdragen aan de maatschappelijke discussie vanuit het grotere boeddhistische perspectief dan alleen de verschillende tradities. Niet dat we een actiegroep moeten zijn. Een andere poot is het beschikbaar krijgen van in het Nederlands vertaald bronmateriaal, want velen worden uitsluitend gevoed door secundaire literatuur. Die bronteksten moet je samen lezen, uitleggen en bespreken. Daarmee opent zich een hele wereld! De teksten moet je verklaren vanuit de historische context en vertalen naar deze tijd. Fascinerend vind ik dat. Ook zijn de Vrienden in zekere zin een platform voor daklozen: mensen die wel serieuze affiniteit hebben, maar zichzelf niet aangesloten zien bij een sangha. Die willen wij ook voorzien van informatie met het magazine en de themamiddagen. Het belangrijkst van al is ontmythologiseren. Boeddhisme is met de voeten in de klei, niet met het hoofd in de wolken. Ik heb niks met heiligheid − als katholiek jongetje stelde ik in de catechismusles heel logische vragen, waardoor ik telkens op de gang terechtkwam!’  





Terug naar Artikelen