Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 9 september 2015
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

De ui en het zelf

David Loy

David Loy
el een ui en wat blijft er over? Niets, behalve tranen. In zijn artikel ‘The suffering of self’ (2008) vergelijkt zenleraar en filosoof David Loy het zelf met een ui. Het resterende ‘niets’ veroorzaakt gevoelens van ongemak, dukkha genaamd. Hieronder een samenvatting.

Niet alleen in het boeddhisme is dukkha de opmaat voor een spiritueel pad; dit geldt onder andere ook voor het jainisme, zo opent Loy zijn artikel. Uniek voor het boeddhisme is echter de relatie tussen dukkha en onze misleide opvatting over ons zelf. ‘In het boeddhisme is het zelf dukkha.’ Dukkha wordt meestal vertaald met ‘lijden’, maar dat is te ruim, ‘on-gemak’ is passender.

Drijfveren

Loy noemt de drie vormen van dukkha – fysiek en psychisch lijden, lijden voortvloeiend uit vergankelijkheid en lijden veroorzaakt door sankhara – en staat stil bij de derde vorm, die moeilijker te vatten is omdat deze is verbonden met de illusie van het zelf.

Het concept sankhara behoeft enige toelichting. Rob Janssen en Jan de Breet hebben in de inleiding op deel 3 van hun vertaling van de Samyutta-Nikaya een uiteenzetting opgenomen over dit begrip. Zij verkiezen ‘drijfveren’ als vertaling voor sankhara. In De verzameling van thematisch geordende leerredes. Het deel der geledingen, omschrijven zij de invloed van sankhara als volgt (p. 18-19): ‘Op voorwaarde van onwetendheid (...) ontstaan de drijfveren (...). Door de dingen niet te zien zoals ze in werkelijkheid zijn (vergankelijk, leedvol en zonder blijvende substantie) en de Vier Edele Waarheden in hun essentie niet te doorgronden (…), door gehecht te zijn aan zinnelijke genoegens, aan visies, aan regels en geloften en aan een theorie over een zelf (…) en door de geledingen van de persoonlijkheid (khandha’s) als het zelf te beschouwen (…) of te denken “ik heb een zelf” (…) – door al deze vormen van onwetendheid ontstaan activerende factoren, conditioneringen en intenties die ons steeds weer tot wedergeboorte en tot karmisch effect producerend handelen drijven. Ons karma bestaat dus uit drijfveren en is niet een soort noodlot dat onvermijdbaar boven ons hoofd hangt, zoals in het Westen vaak gedacht wordt.’ In het voorgaande citaat wordt het verband vermeld. Loy doet hetzelfde in zijn artikel.

Het idee een zelf te zijn dat is afgescheiden, is een illusie en de meest gevaarlijke dwaling. In het boeddhisme en in de moderne psychologie is het zelf een psychologisch-sociaal-taalkundige constructie. Psychologisch, omdat het ego/zelf voortkomt uit sociale conditionering. Sociaal, omdat het zelfbesef ontwikkeld wordt in interactie met andere ‘zelven’. Taalkundig, omdat het verkrijgen ervan gebaseerd is op woorden als ‘ik’, ‘mij’, ‘mijn’ en ‘mijzelf’. Deze aanduidingen wekken de illusie dat er wel iets moet bestaan waarnaar ze verwijzen.

De moderne psychologie is erop gericht de mens aan te passen aan de samenleving, waardoor we onze maatschappelijke rol kunnen vervullen. Het boeddhisme stelt daarentegen dat er altijd iets blijft wringen. Loy: ‘Een sociaal aangepast zelf blijft een ziek zelf, omdat het zelf iets problematisch is: het is besmet met dukkha.’ Wel zijn het boeddhisme en de moderne psychologie het erover eens dat het zelf gereconstrueerd kan worden. Dat is zelfs noodzakelijk, maar het boeddhisme gaat verder. Het verzonnen zelf moet afgebroken worden om de ware, lege natuur van het zelf te realiseren. Het verzinsel zelf is namelijk vals, onecht. Het boeddhistische spirituele pad gaat niet over het reconstrueren, maar over het afbreken van het onechte zelf.

Beklemming

‘Mijn’ zelf bestaat over het algemeen uit gewoontes op het gebied van waarneming, voelen, denken en handelen. Meer is het niet. Het leidt ertoe dat er een zelf ontstaat dat afgescheiden is van andere zelven en dingen. Neem je deze psychologische en lichamelijke processen een voor een weg, dan is het als het afpellen van de schillen van een ui: er blijft niets over. Niks mis mee, maar het vervult ons met onbehagen, en daar hebben we een hekel aan. Een gapend niets in onze kern is verontrustend: we kunnen ons nergens aan vastklampen. Gevoelens van onwerkelijkheid en onzekerheid zijn het gevolg.

Verstandelijk is dit moeilijk te bevatten, toch beseffen we dat er een probleem is: ‘Er is iets niet in orde met me.’ Volwassen worden is net als iedereen leren doen alsof ‘ik ben oké, jij bent oké!’ Veel sociale interactie is erop gericht elkaar gerust te stellen dat het oké is; vanbinnen weten we dat dit niet het geval is. Als we van de buitenkant naar anderen kijken, zien ze er solide en echt uit, toch weten we dat er vanbinnen iets niet klopt: in onze kern zit er iets niet goed.

Verdringing als modern psychologisch idee kan hierbij helpen. Wanneer iets onacceptabel is, duwen we het weg uit ons bewustzijn. Vroeg of laat keert het verdrongene in de een of andere vorm terug in het bewustzijn. Het onderdrukte gevoel dat er ‘iets niet klopt’ komt terug als het gevoel dat er iets in ons leven ontbreekt. Hoe we dit invullen, hangt af van onze persoonlijkheid en van de samenleving waarin we leven. In het moderne Westen komt het bijvoorbeeld tot uiting in de zucht naar geld of beroemdheid. We proberen het niets in onze kern te vullen, maar het is een bodemloze put. Niets kan ons af helpen van het gevoel dat we iets missen.

Deze opvatting van anatta (‘geen zelf’) geeft ons enig inzicht in karma vanuit boeddhistisch perspectief, dat de nadruk legt op motivaties en intenties, vervolgt Loy. Als ons zelf bestaat uit gewoontes in waarnemen, voelen, denken en gedragingen, dan is karma niet iets wat we hebben – het is wat we zijn. Een belangrijk punt hierbij is dat we ons karma veranderen door ons ‘ik’ te veranderen door deze gewoontes te veranderen – om dukkha te doen afnemen, moeten de drie ‘vergiften’ hebzucht, vijandigheid en onwetendheid getransformeerd worden in de meer positieve pendanten vrijgevigheid, liefdevolle vriendelijkheid en wijsheid.

Psychologisch gezien gaat karma over hoe gewoontes in denken en handelen bepaalde situaties veroorzaken. Als we gemotiveerd worden door hebzucht, haatdragendheid en illusie, dan moeten we manipuleren om onze zin te krijgen, waardoor we anderen van ons vervreemden. Daardoor gaan we ons nog meer afgescheiden voelen. Hierdoor wordt de illusie van ons zelf versterkt. (Omdat het besef van een zelf niet echt is, voelt het zich kwetsbaar en moet het zich altijd verdedigen en ondersteund worden.) Als onze motivatie gebaseerd is op vrijgevigheid en liefdevolle vriendelijkheid, kunnen we ons ontspannen en openen, en hoeven we minder defensief te zijn. Anderen zullen de neiging hebben zich ook zo tegenover ons op te stellen, wat ertoe leidt dat dukkha voor ons allemaal afneemt.

Het is erg belangrijk op deze manier karma te veranderen, maar het is niet het enige of het meest wezenlijke doel van de boeddhistische praktijk, meent Loy. In essentie gaat boeddhisme over ontwaken; enige bewustwording dat het besef van een zelf geconstrueerd is, met niets in de kern ervan. Meestal is die leegte zo bedreigend dat we proberen het te vermijden door iets te zoeken wat ons stabiliteit en veiligheid biedt.

Meditatie

Wat gebeurt er als we niet wegrennen van dat gat in onze kern? Dit doen we als we mediteren. We laten al onze afleidende lichamelijke activiteiten los en gaan ermee zitten, zoals de leegte zich op dat moment presenteert. Zeker in het begin is dit oncomfortabel, omdat dit ons onzeker, onveilig en bodemloos doet voelen. Als het ons lukt bij deze onaangenaamheden te blijven en ermee bevriend te raken, dan kan het gebeuren dat het gat wordt wie we werkelijk zijn. Het merkwaardige is dat onze leegte geen probleem is. Het is een probleem omdat we denken dat het een probleem is. Het zijn onze manieren van ervoor vluchten dat het tot een probleem maakt.

In plaats van blootgesteld te zijn aan een gevoel dat er iets ontbreekt, wordt door meditatie het gat een plaats van bewustzijn van iets anders, iets groters dan het alledaagse zelf. Dat ‘groter zijn’ is niet te begrijpen, en dat hoef ik ook niet te kunnen, want ik ben er een uitdrukking van. Onze rol is er uiting aan te geven.

Leegte heeft twee kanten. Ten eerste het negatieve, problematische gevoel van gebrek. Ten tweede het in contact zijn met, en deelgenoot zijn van iets groters (volheid) dan hoe we gewoonlijk over onszelf denken. Deze dubbele betekenis is vervat in het begrip sunnata.

Beide aspecten van leegte sluiten elkaar niet uit. ‘Het punt is niet het zelf uit te bannen, dat is onmogelijk, want er is en zal nooit een zelf zijn. Ook willen we geen afscheid nemen van het besef van een zelf, dat zou een akelige vorm van zwakzinnigheid zijn. Wat we wel wensen, is een minder dualistisch besef van onszelf, meer bewust van en meer in harmonie met de lege basis ervan.’

De twee aspecten van het spirituele pad, afbraak en herstel van iemands besef van een zelf, blijken nauw verbonden met elkaar en versterken elkaar. Meditatie is loslaten en terugkeren naar de leegte/volheid in onze kern. Het helpt het zelf te reconstrueren en met meer aandacht in het leven te staan. Door meditatie en door in aandacht te leven, werken we aan het herstel van het zelf. Daardoor ontwikkelen we ons tot zelfloze wezens die zich wijden aan het geluk en ontwaken van allen. (km/ivs)    

When I look inside and see that I am nothing, that’s wisdom.
When I look outside and see that I am everything, that’s love.
Between these two my life turns.
Nasargadatta Maharaj

Bronnen
Loy, D., The suffering of self. The nature of lack. Un zen occidental, 2008
Jan de Breet & Rob Janssen (vertaling en inleiding), De verzameling van thematisch geordende leerredes. Het deel der geledingen (Khandha-Vagga). Deel 3. Asoka Klassieke Tekstbibliotheek. Rotterdam: Asoka, 2012





Terug naar Artikelen