Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 1 maart 2015
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

De parabel van het mosterdzaad

Naverteld door Rob Janssen

In de Anguttara-Nikāya (AN), een van de vijf verzamelingen (nikāya's) van de Pali-canon, worden in hoofdstuk XIV van het 'Boek der enen' de belangrijkste leerlingen van de Boeddha genoemd (monniken, nonnen en lekenvolgelingen) en zeer in het kort hun opvallende eigenschappen.

In het commentaar op de AN, in de Manorathapūranī, worden van al deze personen uitgebreide biografische details vermeld. In hoeverre deze authentiek zijn of legendarisch, is moeilijk uit te maken.

Een van deze verhalen betreft de non Kisā Gotamī. Haar clannaam was Gotama en zij was mager (kisa). Vandaar haar naam. Zij viel op door de ruwe gewaden die zij droeg als teken van een ascetische levenswijze. De parabel wordt door mij hier naverteld met gebruikmaking van de Manorathapūranī.


isā Gotamī is de naam van een jong meisje dat een sprookjeshuwelijk had gesloten met de enige zoon van een rijke man. Zij kreeg één kind, een mooi jongetje. Maar toen hij nog nauwelijks alleen kon lopen, stierf hij. De jonge vrouw, die natuurlijk veel van haar kind hield, kon haar verdriet niet verwerken. Zij droeg het dode kind op haar heup rond door het dorp en ging van huis tot huis om haar meelevende vrienden medicijnen voor haar kind te vragen. Een monnik, leerling van de Boeddha, zag haar door de straten gaan en dacht bij zichzelf: 'Zij begrijpt niet wat er aan de hand is.' Daarom zei hij tegen haar: 'Beste vrouw, ikzelf bezit niet het medicijn dat je zoekt, maar ik denk dat ik iemand ken die wel zoiets bezit.'
'O, zeg mij wie dat is,' smeekte Kisā Gotamī.
'De Boeddha kan je een medicijn geven. Ga naar hem,’ was zijn antwoord.
Zij ging naar Gotama, groette hem met gevouwen handen en vroeg hem: 'Heer, kent u een medicijn dat goed kan zijn voor mijn kind?'
'Ja, ik ken zo'n medicijn,' antwoordde de Leraar.



Kisā Gotamī bij de Boeddha
Nu kennen patiënten of hun vrienden de gewoonte om artsen de kruiden te verschaffen die zij nodig hebben om een medicijn te bereiden. Daarom vroeg zij hem welke kruiden hij nodig had.
'Ik wil wat mosterdzaad,' sprak de Boeddha. Het arme meisje aanvaardde uiteraard graag de opdracht om hem zo'n eenvoudig geneesmiddel te bezorgen, en hij voegde eraan toe: 'Maar je moet het wel krijgen van een huis waar geen zoon, echtgenoot, verwante of slaaf ooit is gestorven.'
'Heel goed,’ sprak zij hoopvol en ging op pad om het mosterdzaad te vinden, terwijl ze haar dode kind op haar heup meedroeg.

De mensen die ze erom vroeg, zeiden tot haar: 'Hier is wat mosterzaad, neem het.'
Maar wanneer zij vroeg: 'Is in dit vriendenhuis ooit een zoon, een echtgenoot, een verwante of een slaaf gestorven?,' dan antwoordden zij: 'Meisjelief, wat zeg je nu? De levenden zijn hier gering in aantal, maar doden zijn er velen.'
Zij ging naar andere huizen met haar verzoek, maar de ene bewoner zei: 'Ik heb een zoon verloren', een ander zei: 'Wij hebben onze ouders verloren', en weer een ander zei: 'Ik heb mijn slaaf verloren.'

Toen zij uiteindelijk niet in staat bleek ook maar één huis te vinden waar niemand gestorven was, begon zij tot inzicht te komen, en zij sprak het volgende vers:

‘Niet de wet van het dorp noch die van het stadje
noch ook die een enkele familie –
voor heel de wereld inclusief de goden
is dit alleen de wet, namelijk onbestendigheid.'


Daarop nam zij een resoluut besluit. Ze legde het dode lichaam van haar kind op een knekelveld en keerde terug naar de Boeddha. Nadat zij hem eerbiedig gegroet had, vroeg hij haar: 'Heb je het mosterdzaad?'
'Heer,' antwoordde zij, 'ik heb het niet. De mensen zeggen me dat de levenden gering zijn in aantal, maar dat de doden er velen zijn.'
Daarop sprak hij tot haar over de vergankelijkheid van alle dingen, tot al haar twijfels verdwenen waren. Hij reciteerde daarbij het volgende vers:

'De man die dol is op zoons en vee,
wiens geest daar geheel in opgaat –
hem sleurt de dood met zich mee,
als een grote vloedgolf een slapend dorp.' (Dhammapada 287)

Tijdens dit gesprek werd zij een stroombetreedster, iemand die er zeker van kan zijn na hoogstens zevenmaal wedergeboren te zijn de uiteindelijke verlossing te bereiken. Zij vroeg en verkreeg nu opname in de orde. Vol aandacht ontwikkelde zij inzicht. Toen de Boeddha haar weer eens ontmoette, sprak hij het volgende inspirerende vers tot haar:

'Ook al zou men honderd jaar leven
zonder de doodloze plaats te zien –
beter is het voor iemand een enkele dag te leven
en de doodloze plaats te zien.' (Dhammapada 114)

Aan het eind van dit vers over het doodloze (d.w.z. het nirvana) bereikte zij de staat van heiligheid. Zij kleedde zich in een ruw gewaad en begon aan een rondzwervend leven als bedelnon. De Boeddha prees haar tegenover de nonnen als de belangrijkste van zijn leerlingen die ruwe gewaden dragen.  

Bronnen
Aṅguttara-Nikāya, deel I, p.26, 2e ed., A.K. Warder. London: Pali Text Society, 1961.
Manorathapūraṇī, het commentaar op de AN, de editie van het Zesde Concilie in 1956 in Rangoon, geraadpleegd via de website The Pali Tipitaka.
T. W. Rhys Davids, Buddhism: being a sketch of the life and teachings of Gautama, the Buddha, pp. 133-34. London, 1912.
E.W. Burlingame, Buddhist parables. New Haven, 1922.





Terug naar Artikelen