Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 6 juni 2015
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

‘Gelukkige Krulhaar’

Een boeddhistische parabel

Naverteld door Rob Janssen

n het commentaar op de Anguttara-Nikāya wordt een merkwaardige parabel verteld over de non Bhadda Kundalakesa (‘Gelukkige Krulhaar’), over wie de Boeddha de uitspraak deed dat zij de belangrijkste onder zijn leerlingen en in het bijzonder onder zijn nonnen was die snel direct inzicht (abhinna) verkreeg. Hier volgt een verkorte weergave van de parabel.

Bhadda

Lang geleden, toen de Boeddha Padumuttara (‘Hoogste Lotus’) in de stad Hamsavati leefde, hoorde de latere non Bhadda hem preken. Zij was daar zeer van onder de indruk en toen zij bovendien nog zag dat een bepaalde non door hem aangewezen werd als in staat om snel direct inzicht te verkrijgen, besloot zij om ook naar die status te streven.
Na gedurende honderdduizend eonen wedergeboren te zijn in de werelden van goden en mensen, zag zij wederom het licht in de tijd dat Boeddha Gotama leefde. Zij werd geboren in het huishouden van een rijke koopman in Rajagaha en kreeg de naam Bhadda, ‘Gezegende’ of ‘Gelukkige’.
Op dezelfde dag nu dat zij geboren werd, kreeg ook de zoon van de hofpriester van de koning een zoon. Op het moment van zijn geboorte begonnen in de hele stad wapens flitsend licht uit te stralen. De hofpriester ging de volgende ochtend naar de koning toe en vroeg hem of hij goed had geslapen. Deze antwoordde: ‘Hoe, eerwaarde, denkt u dat wij goed geslapen zouden kunnen hebben? De hele nacht flitsten de wapens in het koninklijk paleis. Wij zagen dit allen en raakten in hevige paniek!’ ‘Majesteit’, reageerde de hofpriester, ‘maakt u zich geen zorgen. In de hele stad was hetzelfde verschijnsel te zien. Ik kan u vertellen wat de oorzaak is. In mijn familie is namelijk een zoon geboren onder het sterrenteken van de Rover. Hij is geboren als vijand van de hele stad. Als u wilt, kunnen we ons van hem ontdoen.’
‘Dat is nu ook weer niet nodig’, zei de koning, ‘zolang als wij niets van hem te vrezen hebben.’
‘Mijn zoon heeft een toepasselijke naam gekregen op grond van het sterrenbeeld Rover, waaronder hij geboren is, en wel “Kleine Vijand”’, merkte de hofpriester op.
De koning keek bedenkelijk en liet de hofpriester gaan.

Pad

De kleine Bhadda groeide voorspoedig op in het huis van de koopman en ook de Kleine Vijand ontwikkelde zich in goede gezondheid. Maar toen hij oud genoeg was om alleen het huis te verlaten en zich door de stad te bewegen, bleek dat hij alles stal waarop hij de hand kon leggen. Zo vulde hij de woning van zijn ouders met gestolen spullen. Zijn vader las hem herhaaldelijk de les, maar hij kon hem niet stoppen. Later, toen de jongen tot man was uitgegroeid en zijn vader besefte dat hij hem niet van het slechte pad kon afbrengen, gaf hij hem twee donkerblauwe kledingstukken en een inbrekersuitrusting in handen, waaronder een blok en touw, dat wil zeggen een touw bevestigd aan een blok hout dat door een open venster geworpen kon worden, zodat hij langs het touw een huis kon binnendringen. Hij stuurde daarop zijn zoon uit huis weg met de woorden: ‘Probeer hiermee maar aan de kost te komen.’
Vanaf die dag brak hij in huizen in en hij sloeg daarbij geen enkel huis in de stad over. Na enige tijd waren de huizen vol gaten en niet meer om aan te zien. Op een dag maakte de koning een rondtocht door de stad en terwijl hij door de straten reed, vroeg hij zijn koetsier hoe het toch kwam dat alle huizen er zo vervallen uitzagen. De koetsier zei hem dat er een rover was die in de huizen inbrak en goederen stal.
In zijn paleis teruggekeerd, ontbood de koning de schout. ‘Ik heb gehoord dat er een rover is die gaten in de muren van huizen maakt en spullen van de mensen steelt. Waarom pakken jullie die man niet?’ ‘Sire’, antwoordde de schout, ‘wij hebben alles gedaan om hem te vangen, maar dat lukte niet.’ ‘Dan doe nog meer je best om die rover te pakken te krijgen!’ sprak de koning vertoornd.

Juwelen

De schout zette nu nog meer mannen in, die hij in de nacht in de stad liet patrouilleren. Uiteindelijk boekten zij succes en betrapten zij de rover op heterdaad. Zij sleepten hem voor de koning en wachtten op het vonnis. ‘Voer die man door de zuidelijke poort van de stad en laat hem executeren’, oordeelde de koning streng. De schout liet de man door een aantal stadswachters vastgrijpen en naar de stadspoort leiden. Bij iedere wegkruising kreeg de rover duizend zweepslagen. Vele mensen verzamelden zich langs de weg om dit gebeuren onder het roepen van allerlei kreten gade te slaan.
Op dat tijdstip nu leunde Bhadda uit het raam om te zien wat er zich op straat afspeelde. Zij zag hoe de rover gevankelijk naar de executieplaats gevoerd werd en werd, aangetrokken door zijn knappe verschijning, hals over kop verliefd op hem. Zij liep daarop jammerend door het huis en riep: ‘Als ik hem kan krijgen, zal ik leven. Als ik hem niet kan krijgen, rest mij alleen nog de dood!’
Haar familieleden konden haar niet kalmeren. Haar vader ging ten einde raad naar de schout, gaf hem duizend geldstukken en zei: ‘Mijn dochter is verliefd geworden op die rover. Hier heb je geld en laat die man ontsnappen.’ ‘Goed, heer’, sprak de schout gehoorzaam, en hij liep met de rover de hele dag door de stad. Toen de zon was ondergegaan, ging hij naar de gevangenis, liet de rover vrij en pakte een andere misdadiger bij zijn kraag. Hij voerde hem door de zuidelijke poort en liet hem executeren. De rover werd naar het huis van de koopman gebracht. Daar ontving Bhadda hem met open armen. Zij liet hem baden in geparfumeerd water en tooide hem met fraaie juwelen. Zelf stak zij zich ook in mooie kleren en sierde zich eveneens met kostbare juwelen.

Orde

De volgende dagen verzorgde zij hem vol liefde en vervulde zij al zijn wensen. Na enige tijd dacht de rover: ik moet al haar juwelen hebben. En hij zei tegen haar: ‘Toen ik gevangen was genomen, heb ik de gelofte afgelegd aan de god van de berg die Roversklip wordt genoemd, dat ik, als ik het er levend vanaf zou brengen, een offer aan hem zou brengen. Haast je en maak een offergave klaar; we gaan daarheen.’ Zij deed wat haar gevraagd was en uitgedost met al haar juwelen begeleidde zij hem naar de rots. Boven aangekomen zei hij haar dat hij alleen maar uit was op al haar juwelen. Zij stemde in met zijn verlangen, maar gaf te kennen dat zij eerst met hem wilde vrijen. Hij accepteerde die voorwaarde en toen zij deed alsof zij hem wilde omhelzen, duwde ze hem met een krachtige stoot van de rots. Terwijl hij naar beneden viel, verpulverde hij volledig. De berggod prees Bhadda om haar daad.
Zij wilde na deze gebeurtenis niet naar huis terugkeren en trad toe tot de orde van de Nigantha’s (de jains). Ontevreden met de leer van deze sekte verliet zij de orde en ging zij naar diverse leraren om met hen te discussiëren. Op een dag zag Sariputta haar en hij vroeg haar naar het Jetavana te komen voor een dialoog. Sariputta kon al haar vragen beantwoorden. Toen hij aan de beurt was om vragen te stellen, kon zij de vraag: ‘Wat is één?’ niet beantwoorden. Daarop vroeg zij hem haar leraar te worden. Sariputta zond haar echter door naar de Boeddha. Deze hield tot haar een toespraak waarin hij haar duidelijk maakte dat het beter is één enkele strofe te kennen die rust geeft dan duizend die geen profijt brengen. Aan het eind van deze preek bereikte zij arahatschap en de Boeddha nam haar zelf op in de Orde. Haar verzen staan in Therigatha 107-111. In de Anguttara-Nikaya komt zij op één plaats voor:

1.243 ‘Monniken, de belangrijkste van mijn leerlingen, mijn nonnen die snel direct inzicht verkrijgen, is Bhadda Kundalakesa.’  





Terug naar Artikelen