Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 7 december 2015
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

De weg van lama Anagarika Govinda

Rob Janssen

ama Govinda − Ernst Lothar Hoffmann − geniet in het bijzonder bekendheid als stichter van de Arya Maitreya Mandala en als auteur van De weg der witte wolken. Een biografische schets.

Lama Govinda

Ernst Lothar Hoffmann, geboren op 17 mei 1898 in Waldheim in Saksen, Duitsland, werd na het overlijden van zijn moeder in de familie van zijn moeder opgevoed. In die tijd hoorde hij romantische verhalen over de hooglanden van Bolivia, over de mijnen die de familie bezat in de Quechisla-bergen, waardoor zijn jonge geest vervuld werd van dromen over verre streken, die hij later in Tibet zou realiseren. Hij ging naar school in Thüringen, Kassel en Hannover en doorliep het gymnasium. Hij schreef zich daarna in voor geologie in Freiburg. Zijn belangstelling, aanvankelijk op mijnbouw gericht, ontwikkelde zich in de richting van filosofie: na enige tijd bleken de diepten van de geest hem – naar eigen zeggen – meer te boeien dan de diepten van de aarde. Aanvankelijk geïnteresseerd in filosofische systemen, bemerkte hij meer gefascineerd te raken door hun ‘religieuze expressie en verwerkelijking’. Zo kwam hij via de filosoof Schopenhauer tot de christelijke mystici en de Indische Upanishaden: de mystieke teksten van de Vedische religie. Van daaruit was het nog slechts een kleine stap naar het boeddhisme.

Nauwelijks zestien jaar oud, begon hij aan een boekje waarin hij een vergelijking maakte tussen christendom, islam en boeddhisme, teneinde zelf tot een keuze te kunnen komen. Uiteindelijk koos hij voor het boeddhisme, gezien de moraal gebaseerd op individuele vrijheid en niet opgelegd door een externe autoriteit, zoals hij later opmerkte in de prachtige brochure Waarom ik boeddhist ben. Bovendien waardeerde hij dat de leer en de moraal van het boeddhisme alle levende wezens, dus ook dieren, insluit. Zijn overwegingen resulteerden in Die Grundgedanken des Buddhismus (Altmann, Leipzig, 1920), enkele jaren later in het Japans vertaald en uitgegeven.

Voorafschaduwing

In 1916 werd hij onder de wapenen geroepen en naar het Italiaanse front gestuurd. Uit zijn dagboek weten we alleen dat hij in 1918 in een Milanees hospitaal werd opgenomen met tuberculose. Eind 1918 werd hij als genezen uit het sanatorium ontslagen, waarna hij zijn studie hervatte in Freiburg im Breisgau.

Van 1920 tot 1928 studeerde hij archeologie in Napels en op Sardinië in Cagliari, waarna hij een aanstelling kreeg aan het Duitse Archeologische Instituut in Rome en zich vooral toelegde op de bestudering van grafheuvels − een voorafschaduwing van zijn latere onderzoek naar boeddhistische stoepa’s. Hij maakte reizen van de Atlantische kust tot Egypte en kwam steeds terug op Capri, waar hij een levenslange vriendschap ontwikkelde met de Amerikaanse schilder Earl Henry Brewster. Hij begon zelf ook met schilderen en werd een geacht lid van de kunstenaarskolonie op Capri. Ook schreef en publiceerde hij gedichten.

Met Brewster begon hij met mediteren op basis van het Satipatthana-sutta in de Majjhima-Nikaya van de Pali-Canon. Zijn ervaringen en overwegingen daarbij maakte hij openbaar in een kleine studie: Praxis der Meditation (1920). Naast zijn bestudering van het boeddhisme, archeologisch onderzoek en kunstzinnige activiteit als schilder was hij lector bij de boeddhistische uitgeverij O. Schloß in München.

Anagarika

In 1928 ging hij naar Sri Lanka, waar hij onder de naam Brahmacari Govinda novice werd in de Duitse monniksgemeenschap. In 1929 ging hij met de eerwaarde Nyanatiloka naar Birma, waar hij het gele gewaad ontving en de religieuze geloften van een anagarika op zich nam. Dit impliceerde dat hij zich voornam de tien zedelijke voorschriften in acht te nemen en celibatair te leven.

Tot 1931 legde hij zich in Birma en op Sri Lanka toe op het Pali, de taal van de boeddhistische canon, en in het bijzonder op de Abhidhamma, een verzameling filosofische en psychologische traktaten. Het resultaat daarvan legde hij neer in Abhidhammattha-Sangaha. Ein Compendium Buddhistischer Philosophie und Psychologie (Benares Verlag, München, 1931).

In 1931 voltrok zich een belangrijke omwenteling in zijn leven. Inmiddels algemeen secretaris van de International Buddhist Union, kreeg hij in die hoedanigheid en als afgevaardigde van Sri Lanka een uitnodiging voor een internationale boeddhistische conferentie in India, in Darjeeling, hoog in de Himalaya-keten, dicht bij Tibet. Hij besloot na ampel overwegen te gaan, omdat hij daarmee ‘de gelegenheid zou krijgen de zuiverheid van de leringen van de Boeddha, zoals bewaard op Sri Lanka, hoog te houden en de boodschap van het boeddhisme uit te dragen in een land waar de Dharma van de Boeddha gedegenereerd was tot een systeem van demonen-verering en bizarre religieuze overtuigingen’, zoals hij later uiteen zou zetten in De weg der witte wolken.

Kracht

Toen Govinda na de conferentie weer wilde terugkeren naar Sri Lanka, barstte er een dusdanig noodweer los dat hij gedwongen was in het klooster van Ghoom te blijven, en hij maakte van de gelegenheid gebruik zich op de hoogte te stellen van de wandschilderingen en beelden die de tempel rijk was. Toen hij na een aantal dagen kon vertrekken, deed hij dat niet meteen. ‘Een onverklaarbare kracht hield mij tegen’, verklaarde hij later. ‘Hoe langer ik verbleef in deze magische wereld, hoe meer ik ervoer dat een tot nu toe onbekende vorm van realiteit zich aan mij openbaarde en dat ik op de drempel van een nieuw leven stond.’ Via de monnik Kachenla maakte hij kennis met een lama − Tomo Geshe Rinpoche − die in het klooster in een eigen paviljoen woonde en daar mediteerde. Deze lama had twaalf jaar in een grot in de Himalaya gewoond zonder een mens te ontmoeten. Op verzoek van de inwoners van een nabijgelegen dorp hun geestelijke verzorging op zich te nemen, leefde de lama vele jaren onder hen. Tomo Geshe Rinpoche maakte grote indruk op Govinda, die enkele weken achtereen onderricht van hem kreeg en zich voortaan als zijn leerling beschouwde.

Echt

Van 1931 tot 1935 was hij docent aan de universiteit van Çantiniketan, door de geleerde, dichter en schilder Rabindranath Tagore gesticht en geleid. Hier had hij als studente de latere premier van India, Indira Gandhi. Ook leerde hij er zijn latere vrouw Li Gotami kennen.
Lama Govinda

In 1932 maakte hij, met Bhikkhu Sankrityayana, de eerste van een aantal voetreizen door gebieden beschouwd als behorend tot de Tibetaanse cultuur, zoals Sikkim en Ladakh.

Op 14 oktober 1933 stichtte hij – in opdracht van zijn Tibetaanse leermeester Tomo Geshe Rinpoche – de Arya Maitreya Mandala, een boeddhistische orde deel uitmakend van het vajrayana. Gezien haar doel het boeddhisme in een aan de westerse maatschappij aangepaste vorm te verbreiden, met een toekomstgerichte blik, draagt zij de naam Maitreya – de komende, liefdevolle Boeddha – in haar vaandel. Het is geen strikt Tibetaanse orde – zij staat open voor denkbeelden uit zowel theravada, mahayana als tantrisme − en kent geen Tibetaanse leraren.

In 1936 en1937 doceerde hij boeddhistische filosofie, psychologie en archeologie aan de universiteit van Patna, wat resulteerde in The psychological attitude of early buddhism (1939).

In de Tweede Wereldoorlog werd hij – inmiddels enige tijd Engels staatsburger – in een interneringskamp in Dehra Dun opgesloten, waar hij een hechte vriendschap sloot met de (Duits-Joodse) Bhikkhu Nyanaponika.

Na de oorlog, in 1947, verbond Ajo Rinpoche hem in de echt met Li Gotami en nam hij hen beiden op in de Tibetaans-boeddhistische Kargyüpa-sekte. Spoedig daarop begonnen zij aan een lange voetreis door Zuid-, Centraal- en West-Tibet (1947-49), langs vele kloosters, waar zij de fresco’s in de tempels bestudeerden, waaronder die van Tsaparang, waar zij in de ijzige vrieskou kopieën maakten van de eeuwenoude en vergeten muurschilderingen, later in boekvorm gepubliceerd. Na hun reis werkte Govinda aan zijn hoofdwerk Grundlagen Tibetischer Mystik.

Goed

In 1955 vond er nogmaals een belangrijke verandering plaats in zijn leven. De Tibetoloog Evans-Wentz schonk hem zijn landgoed in Almora, hoog in de Himalaya gelegen, vlak bij de grens met Nepal. Hij kon zich nu volledig aan zijn publicaties wijden. In 1956 verscheen de Grundlagen in het Duits, spoedig gevolgd door een vertaling in het Engels en het Frans. In 1962 publiceerde hij Die psychologische Haltung der frühbuddhistischen Philosophie in Zwitserland, een vertaling van zijn eerder in het Engels verschenen werk in India (1939) en Engeland (1961). In 1966 volgde The way of the white clouds, een zeer populaire autobiografie, ook vertaald in het Frans, Duits en Nederlands.

Na een verblijf van meer dan dertig jaar in India, Sri Lanka en Birma kwam hij in 1960 met Li Gotami naar Europa op een voordrachtsreis, gevolgd door een tweede in 1965. In 1968/69 reisde hij rond door Amerika en Japan. In 1971/72 vond er nogmaals een voordrachtsreis plaats, evenals in 1974/75, waarna hij in 1976 via Duitsland naar India terugkeerde. In 1977 reisde hij nog eenmaal naar Duitsland om daar een exercitium van zijn Arya Maitreya Mandala te leiden. Schrijver dezes werd in zijn aanwezigheid en met zijn zegen destijds tot ordelid gewijd. Ook opende hij in Basel en in Bonn een tentoonstelling van zijn en Li Gotami’s schilderingen en foto’s.

Glimlach

Daar hij het zware leven in Almora niet meer aankon, vestigde hij zich in 1978 in Amerika, in Mill Valley, dicht bij San Francisco. Daar ontplooide hij een grote activiteit met voordrachten en persoonlijk onderricht. Ook ontmoette hij er de Dalai Lama en de Sakya Trizin, het hoofd van de Sakyapa-sekte.

Ondanks zijn slechte gezondheid besloot hij in 1980 nog eenmaal naar India te gaan om in zijn ashram de tempel over te dragen aan de Dregungpa-Kargyüpa, in aanwezigheid van hoge lama’s van deze school en meer dan zevenhonderd Tibetanen. Aan het eind van het jaar keerde hij terug naar Mill Valley, waar hij zich wijdde aan schrijven en schilderen. Ook ontving hij daar jaarlijks ordeleden om hen te onderrichten en met zijn wijze raad bij te staan. Dit waren zeer intensieve bijeenkomsten, met vijf of zes personen, zittend in een kring op de grond. Hij liet zich daarbij in een behendige beweging uit zijn rolstoel glijden, waaraan hij gekluisterd was sedert een beroerte begin jaren tachtig. Bij het afscheid stonden er vaak tranen in zijn ogen. Hij verontschuldigde zich daarvoor en zei dat wij zijn kinderen waren en dat hij ons wellicht nooit meer zou terugzien. In 1985 werd deze vrees werkelijkheid. Tijdens een gesprek met een bezoeker voelde hij een lichte pijn in zijn borst. Hij legde zich op zijn rechterzijde en stierf met een glimlach op zijn lippen.

Daarmee zijn wij niet alleen een groot kenner van de filosofie en de psychologie van het boeddhisme verloren, maar ook een begaafd kunstenaar en mysticus. Maar ver daarbovenuit een waarachtig mens!  





Terug naar Artikelen