Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 10 augustus 2014
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

De zen van Afrikaanse reuzenratten

Interview met Bart Weetjens

Kees Moerbeek

ijdens het schrijven van het artikel ‘boeddhisme in Afrika’, kwam ik de naam Bart Weetjens tegen. Een Vlaamse zenboeddhist, die in Tanzania Afrikaanse Reuzenhamsterratten fokt en traint, daar zit een verhaal in! Na wat heen en weer gemail troffen we elkaar in mei via Skype.

Je bent zenboeddhist, hoe is dat zo gekomen?

Ik kom uit een links katholiek nest en had met het dogmatisme van de kerk ook de waarden ervan weggegooid. Als punk rocker had ik me stevig afgezet tegen het establishment en daarbij het kind met het badwater weggegooid.

Op mijn 21-ste ben ik in een ‘terrible state of mind’ met zen begonnen en had een afkeer van alles. Ik was echt niet op zoek, maar moet wel vatbaar zijn geweest. Kort na mijn eerste bezoek aan Afrika kwam ik in een supermarkt omdat ik tandpasta nodig had. Er leken wel honderd verschillende soorten tandpasta in het rek te staan. Ik werd kwaad en was woedend bij het passeren van de kassa. Op weg naar de uitgang zag ik een A4-tje op een prikbord: ‘Zazen, de praktijk van zen’ met een telefoonnummer. En een foto van Taisen Deshimaru, maar dat wist ik toen nog niet. Hij zat als een rots, wat ik indrukwekkend vond. Eenmaal thuis belde ik het nummer. De volgende ochtend zat ik op een zafu, even verderop in een randgemeente van Antwerpen. De stilte en het niet-dogmatische spraken me aan. Het voelde als thuiskomen.

De eerste jaren daarna was het vooral tot mezelf komen. Ik vond in zen terug wat ik in mijn kinderjaren als waardevol ervaren heb. Dat heeft met het christendom te maken. In mijn kindertijd baden wij voor het eten. Daarna baden we het Onze Vader, dat was een waardevol moment van stilte. Met de formele aspecten van zen heb ik het jarenlang moeilijk gehad. Van al dat Japanse gedoe moest ik niets hebben.
Je woont in Morogoro Tanzania en hebt daar een zendo. Apart!
Zendo in de natuur
Apart misschien, maar toch niet zo verschillend. Stilte is universeel en de vorm waarin wij dat gieten komt ook in andere tradities voor, bijvoorbeeld in de christelijke. Zen is heel toegankelijk voor Afrika, omdat de praktijk van stilte zo universeel is.

Afrikanen leven dicht tegen het hier en nu aan. In het extreme zelfs, zou ik zeggen. Onze basisfilosofie is Cartesiaans: ‘Ik ben, omdat ik kan denken.’ De Afrikaanse basisfilosofie is Ubuntu: ‘Ik ben, omdat wij als groep zijn.’ Dat geeft meteen een heel andere kijk op hoe de dingen in elkaar zitten. Daarom zeg ik: ‘In Afrika zijn ze al heel zen.’ Niet noodzakelijk zo aandachtig, maar wel heel verbonden en bewust van de onderlinge afhankelijkheid en de veranderlijkheid van alles.

Wij hebben de indruk dat we vat hebben op de werkelijkheid en proberen dat op allerlei manieren voor elkaar te krijgen. In Afrika is het leven betrekkelijk, mensen gaan dood als vliegen. De kindersterfte is enorm en aids, malaria en tuberculose zijn killers. Toen ik in 2000 in Tanzania kwam was de levensverwachting rond de 50 jaar. Dit alles kweekt een houding van onderlinge verbondenheid en van mededogen.

Wat voor mensen bezoeken je zendo?

Het was helemaal niet mijn bedoeling om een dojo op te zetten. Het eerste jaar in Tanzania kon ik niet de discipline opbrengen om in mijn eentje te zitten en ik was vaak ziek. Na dat jaar was ik even terug en tijdens dokusan sprak ik erover met mijn leraar Roland Yuno Rech. ‘Waarom start je geen groep?’, vroeg hij. Dat vond ik helemaal niks. Maar, legde hij uit, het zou structuur geven aan mijn praktijk, waardoor ik mijn discipline zou kunnen aanhouden. Daarna heb ik op de Sokoine Universiteit in Morogoro (Tanzania) een ruimte gevraagd om daar te mediteren, elke dag van vijf tot zes. Daarvoor zat ik thuis, maar met een gezin zijn er altijd andere prioriteiten. Ook wilde ik mijn vrouw en kinderen niet met mijn zenpraktijk lastig vallen.
Zendo in Morogoro
Van vijf tot zes zat ik en had veel bekijks, kinderen liepen langs en gooiden stenen door het raam. Eentje vloog tegen mijn hoofd, dat was niet leuk. Ik kreeg een telefoontje of ik zen beoefende, de volgende dag kwam er een oudere man langs. Hij oefende mee en ik was verbaasd over zijn discipline, later volgde een Duitse vrouw. Het nieuws deed verder de ronde. Net als in alle dojo’s kwamen en gingen mensen. Tegenwoordig zitten we dagelijks met een man of vijf. In totaal zijn er 30 deelnemers; vooral Afrikanen, af en toe een westerling, een paar Chinezen en wat Indiërs. De meesten zijn Afrikanen tussen de 15 en 25 jaar, ongeschoold, zonder werk en zonder enige kans op een formele baan. Het is heel triest, een verloren generatie.

Wat heeft de zenpraktijk Tanzanianen te bieden?

Eigenlijk hetzelfde als wat het ons te bieden heeft. Namelijk een kans op een harmonieus leven met aandacht, waardoor dingen meer op hun plek vallen. We zijn berekenend in wat we doen. We gaan aan zen doen om iets te halen, bijvoorbeeld om ons beter te voelen en daar knappen we dan op af. Velen komen hier in de dojo hopend om bij die ‘witte man’ een baan te krijgen. Of iets anders waar ze geld mee kunnen verdienen, om maar uit de ellendige armoede te geraken. Waar het hun ontbreekt is materieel en onontbeerlijk voor hun overleven, maar dat kan ik helaas niet geven.
Hoe kwam je in vredesnaam van zen naar het fokken en trainen van Afrikaanse ratten?

Lang voor zen had al ik belangstelling voor knaagdieren en fokte ze. Ik stopte ermee toen ik 14 was. Op een bepaald moment verlieten mijn drie broers het huis. Ik was 16, de jongste en alleen. Mijn ouders waren sociaal bewogen. In de kamers van mijn broers kwamen Afrikaanse studenten, die aan het Tropisch Instituut van Antwerpen studeerden. Opeens had ik drie Afrikaanse broers in plaats van Europese. Ze waren met niks naar België gekomen. Behalve met de inhoud van een klein koffertje dat net zo groot is als dat wij meenemen naar het werk. Zij hebben veel invloed gehad op mijn belangstelling voor Afrika. Ik heb veel geleerd over Ubuntu en solidariteit.

Daarna heb ik productontwikkeling gestudeerd in Antwerpen en na mijn afstuderen wilde ik in Afrika werken. Dat is me afgeraden, omdat het te moeilijk zou zijn. Eerst moest ik maar eens in de industrie uitproberen of ik het kon als designer. Dat deed ik, maar voelde me niet op mijn plek, omdat ik een afkeer had van de consumptiemaatschappij. Het gevolg dat ik stopte was de marginaliteit als gepassioneerd schilder, levend van een uitkering. Het waren moeilijke, maar interessante tijden.

Tijdens mijn tweede vernissage kwam mijn oude studiebegeleider en mentor, professor Mic Billet naar me toe. Hij vroeg zich af waar Bart Weetjens in vredesnaam mee bezig was. Bart was zijn talent aan het verkwanselen. Zelf vond ik dat helemaal niet, maar met mijn schilderen deed ik in ieder geval geen kwaad. Hij wees me erop dat ik tijdens mijn studie veel belangstelling had voor aangepaste technologie en een betere wereld wilde. We spraken na de vernissage af samen te gaan lunchen om verder te praten. ‘Bart, je moet jezelf en de waarden terugvinden waarmee je in deze wereld staat!’ Hij vroeg me recht op de man af wat ik wilde. Ik flapte het er meteen uit. Ik had net een documentaire gezien over landmijnen. Die ondingen moeten eerst weg voordat het land gebruikt kan worden voor de landbouw. Daar wilde ik me voor inzetten.
Xavier-Rossi
Mic Billet is voorzitter van Apopo geworden en zit nog altijd in onze raad van bestuur. Hij raadde me aan de helft van mijn tijd te besteden aan schilderen en de andere helft aan het analyseren van het landmijnenprobleem, zoals ik bij productontwikkeling deed. Hij stuurde me informatie en zorgde ervoor dat ik naar conferenties kon. Hij sponsorde me in zekere zin. Zo werkte ik me stilaan uit mijn situatie. Op een van de conferenties kwam ik een Nederlandse man tegen, die van de Nederlandse overheid een beurs had gekregen om eigenlijk het werk te doen waar ik net aan begonnen was. Hij gaf me zijn literatuurverwijzingen. Daaronder was een Amerikaans laboratoriumonderzoek van gerbils die getraind waren om explosieven te onderscheiden. Het gaf mij aanwijzingen dat knaagdieren explosieven kunnen onderscheiden. Dit was het: ik wilde ratten trainen om mijnen te detecteren.

Zenboeddhistisch mededogen en het vermogen tot empathie komen hier om de hoek kijken. Ik bekijk de problematiek vanuit de landbouwer in Afrika. Die is volledig afhankelijk van de natuur en totaal onmachtig om het lijden veroorzaakt door de mijnen, zelf aan te pakken. Ik moest iets verzinnen dat deze mensen kunnen gebruiken om eigenhandig het probleem aan te pakken.

En heeft dat hun zelfredzaamheid en gevoel voor eigenwaarde vergroot?

Zeker, maar een beetje naïef was dat wel, omdat het om specialistisch werk gaat. Mijn mentor zag het idee meteen zitten. Eind 1997 heb ik een onderzoeksbeurs gekregen. Samen met een productontwikkelaar en een gedragsbiologe zijn we gestart. Ik ben er echt van overtuigd dat zen hierin een rol speelt. De mate waarin we in staat zijn tot empathie is de sleutel tot het oplossen van maatschappelijke en andere relationele problemen.
Je schept banen en draagt je deskundigheid over!

Dat is juist de bedoeling. Vijfennegentig procent van onze staf komt uit het land zelf, andere managers zijn Afrikaans en hebben hun opleiding elders gedaan. Het is mijn droom om de westerlingen overbodig te maken. Op de langere termijn moet dat mogelijk zijn.

Tanzania heeft geen landmijnenprobleem. We hebben dit land onder andere gekozen, omdat er een samenwerking was tussen de Universiteit van Antwerpen en de Sokoine Universiteit in Morogoro. Tanzania is een stabiel land, gezien in de Afrikaanse context. Het was een bewuste keuze het project te ontwikkelen in de sociaaleconomische context van het probleem. De blauwdruk van Apopo is in Antwerpen gemaakt, maar de uitwerking en ontwikkeling moest in Afrika gebeuren. Er zijn veel te veel concepten in het Westen ontwikkeld, die daar werken, maar in Afrika mislopen. De keuzes die Afrikanen maken zijn zo creatief en sluiten zo bij de werkelijkheid aan, wij westerlingen komen daar gewoonweg niet op. Mijn expertise is die van een ‘facilitator’, ik heb meer van de Afrikanen geleerd dan zij van mij.
Apopo zit ook in Azië, dat is toch weer een andere samenleving.

Dat klopt, maar armoede is ook daar overduidelijk aanwezig. Armoede is een monster met vele koppen dat bijvoorbeeld leidt tot een gebrek aan opleiding, aan toegang tot gezondheidszorg en tot corruptie. Het zijn allemaal zaken die een samenleving zonder lijden niet bevorderen. Als je het mij vraagt is het Westen hier in grote mate verantwoordelijk voor. Dit maakt me nog even kwaad als toen ik 18 was. Het zijn de boeddhistische Drie Vergiften. Het gaat over hebzucht, over wat we graag willen hebben en wat niet. Onze samenleving is er helaas nog niet aan toe dat dit binnenkort verandert.

Waar hebben we het over? Metaal voor onze GSM, waar ze in de Congo elkaar voor uitmoorden!
Onwetendheid speelt een grote rol. Als we onze woede kunnen kanaliseren naar iets positiefs, zijn we beter in staat bij te dragen aan een betere wereld en het lijden verminderen. Ook al slagen we daar niet direct in, het is ongetwijfeld het juiste om te doen!  

Bron
A Hero-Sized "Thank You!" from the APOPO team





Terug naar Artikelen