Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 15 september 2014
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Sociale rechtvaardigheid en karma

Een verkenning

Kees Moerbeek

at is de relatie tussen sociale rechtvaardigheid en karma?’ Bij de beantwoording van deze vraag ontmoeten twee werelden elkaar. De eerste is de wereld van de joods-christelijke ‘sociale rechtvaardigheid’. De tweede is de wereld van ‘karma’, die ontstond in de hindoe-jain-boeddhistische cultuur. Hieronder volgt een beknopte beschrijving van het standpunt van diverse auteurs over de relatie, met aan het slot van dit artikel een reflectie.

Sociale rechtvaardigheid onderbelicht?

Sociale rechtvaardigheid verwijst naar de mogelijkheid van mensen om zich te ontplooien in hun samenleving. Ook heeft sociale rechtvaardigheid te maken met instituties (onderwijs, gezondheidszorg, sociale zekerheid…) die tot doel hebben te bevorderen dat mensen een leven kunnen leiden dat voldoet aan hun verwachtingen en volwaardig kunnen deelnemen aan die samenleving. Het begrip kwam na 1840 expliciet in gebruik. In 1891 werd de pauselijke encycliek Rerum Novarum (‘Over nieuwe dingen’) gepubliceerd. In de twintigste eeuw werd sociale rechtvaardigheid verankerd in diverse internationale verdragen en instituties.

Het boeddhisme heeft weinig belangstelling voor sociale rechtvaardigheid, stelt godsdienstwetenschapper Winston L. King. Hij geeft drie verklaringen. Er is maar één uitweg uit lijden, namelijk persoonlijke verlossing door uitblussing van begeerte, aversie en onwetendheid. Boeddhisme is onverenigbaar met het vergeldingsaspect van rechtvaardigheid, omdat vergelding de zoveelste schakel in samsara is. De belangrijkste verklaring voor het gebrek aan belangstelling is de boeddhistische visie op karma. Niemand ontkomt aan karmische ‘rechtvaardigheid’. Waarom dan nog maatschappelijk onrecht bestrijden?

Hoogleraar boeddhistische filosofie Asanaga Tilakaratne stelt in reactie op King dat het begrip rechtvaardigheid voortkomt uit de joods-christelijke traditie. Die herkomst problematiseert de discussie over boeddhisme en sociale rechtvaardigheid.

Tilakaratne vindt Kings mening over boeddhistisch karma fatalistisch. Dit fatalistische karma behoort tot de boeddhistische volkscultuur, maar staat op gespannen voet met het ‘ideaal’ van de canon. De Boeddha zelf had duidelijk een andere visie op karma. André Baets schrijft: ‘De daden, of om meer precies te zijn, de intenties leggen de sfeer van de wedergeboorte vast, het leefmilieu, de fysieke verschijning en de geestelijke aanleg van het wezen dat wedergeboren wordt, maar niet zijn denken en handelen. In het kader van zijn karakter heeft ieder de vrijheid de intenties die zijn karmische toekomst bepalen, zelf te kiezen. Iedereen is baas over zijn eigen toekomst.’

Brononderzoek laat zien dat in het boeddhisme verschijnselen van sociale rechtvaardigheid voorkomen, zonder als zodanig gemotiveerd te worden. Tilakaratne verwijst naar Boeddha’s afwijzing van het brahmaanse kastenstelsel, naar de Vinaya (de voorschriften en regels voor bhikku's en bhikkuni's), en naar de Sigalovada soetra, ook wel genoemd ‘de Vinaya voor leken’. Het boeddhisme beschouwt menselijke relaties op een geheel eigen manier. Dat zou het schijnbare gebrek aan belangstelling voor sociale rechtvaardigheid kunnen verklaren.

Institutioneel naast persoonlijk lijden

In het traditionele boeddhisme komt het begrip sociale rechtvaardigheid niet voor, meent zenleraar en professor vergelijkende filosofie David Tetsu’un Loy. Het behoort niet tot het boeddhistische begrippenkader. En karma heeft met dit begrip niets te maken.

David Loy
Het traditionele boeddhisme richtte zich op persoonlijk lijden en karma. Het is geen politieke uitweg voor maatschappelijke problemen. Misschien was dit een strategie om autoritaire regimes te overleven. Maar de Boeddha had wel degelijk een visie op de sociale rol van leken en de bijzondere verantwoordelijkheid van vorsten.

Het boeddhisme schoot wortel in democratische samenlevingen en daardoor veranderde zijn maatschappelijke rol. Loy: ‘De nadruk van het boeddhisme ligt op wat het psycho-spirituele genoemd kan worden. Gaat het om vrijheid voor het ik, of vrijheid van het ik (ego)? Dat ik persoonlijk ontwaakt ben uit de illusie van mijn “afgescheiden ik” maakt mij en anderen die lijden onder economische uitbuiting en een onderdrukkende regering nog niet vrij. We moeten beide vrijheden nastreven.’

De karmaleer maakt het mogelijk invloed uit te oefenen op onze toekomst, maar heeft vooral een revolutionaire betekenis. Het is de sleutel tot spirituele groei. Loy heeft een ‘naturalistische’ visie op karma: ‘… Door mijn motivaties te veranderen, verander ik niet alleen mijn leven, maar heeft het ook invloed om de mensen om mij heen.’

Onze situatie nu is heel anders dan in Boeddha’s tijd. Niet alleen individuen lijden onder de drie vergiften, maar deze hebben zich ook genesteld in onze instituties. Eén voorbeeld: ‘Ondanks alle voordelen die het heeft institutionaliseert ons economisch systeem hebzucht op tenminste twee manieren: ondernemingen maken nooit winst genoeg en mensen consumeren nooit genoeg.’ Instituties hebben als het ware een eigen ego ontwikkeld, onafhankelijk van individuen. Dit veroorzaakt collectief dukkha.

De boeddhistische ethiek (Vijf Voorschriften van Deugdzaamheid, pañca-sila) geeft ook handvatten om collectief dukkha op te heffen. Dit levert weliswaar geen specifiek boeddhistisch sociaal programma op, maar voegt een aspect toe aan bijvoorbeeld de wereldwijde vredesbeweging en de beweging voor sociale rechtvaardigheid.

Reflectie en conclusie

Wat is de relatie tussen sociale rechtvaardigheid en karma? Deze vraag valt in tweeën uiteen.
Ten eerste: bestaat er in het boeddhisme zoiets als sociale rechtvaardigheid?
Ten tweede: zo dit het geval is wat is de relatie met karma?

Een antwoord op de eerste vraag is lastig; ‘(sociale) rechtvaardigheid’ behoort niet tot het boeddhistische begrippenkader. Voor boeddhisten is het dualistische onderscheid tussen goed (wat god voorschrijft en beloont) en kwaad (wat god verbiedt en bestraft) problematisch. Ook hebben boeddhisten mogelijk meer belangstelling voor herstelrecht(vaardigheid) (restorative justice) dan voor vergeldingsrecht(vaardigheid) (retributivist justice). Het boeddhisme kijkt vooral vanuit de eigen optiek naar menselijke relaties, en die is anders dan de joods-christelijke optiek van rechtvaardigheid. Ondanks dit alles blijkt dat de Boeddha en (geëngageerde) boeddhisten zeer zeker oog hadden en hebben voor verschijnselen van sociale rechtvaardigheid, maar meer brononderzoek is nodig.

Dat brononderzoek moet aan criteria van betrouwbaarheid voldoen. Immers, een manier om aan te tonen dat boeddhisme verenigbaar is met sociale rechtvaardigheid zou zijn door op zoek te gaan naar passages in bronteksten die dit bevestigen. Deze benadering leidt niet tot een beter begrip van de traditie en de samenleving zoals die werkelijk was, en zegt wellicht eerder iets over de mening van de ‘onderzoeker’.

Hachelijke vraag

Blijkbaar bestaat er zoiets als sociale rechtvaardigheid in ‘het’ boeddhisme. Wat is de relatie met karma? Deze vraag beantwoorden is uiterst problematisch. Een driedaagse conferentie over Buddhism and Social Justice van de Leiden Universiteit (april 2014) kwam niet tot eenduidige antwoorden.

De Boeddha was duidelijk over karma, maar de heersende (volks)cultuur in bijvoorbeeld Sri Lanka, Birma en Thailand staat hiermee op gespannen voet (zie het boek Rethinking Karma). Lot (soms predestinatie) en morele winst-/verliesrekening met als batig saldo nirvana (beloning) of wedergeboorte (straf), zijn daar gebruikelijk opvattingen over karma. Als er geen consensus bestaat over de definitie van karma, wordt de beantwoording van de vraag over karma en sociale rechtvaardigheid een mission impossible.

In de Acinteyya-sutta waarschuwt de Boeddha: 'Monniken, het resultaat van karma is iets waarover men zich geen gedachten moet maken, waarover men niet moet nadenken. Iemand die daarover nadenkt, zou krankzinnigheid of ontsteltenis ten deel vallen.' Ook waarschuwt hij in de Sabbasava Sutta (Majjhima Nikaya, MN 2) dat de preoccupatie met speculaties over karma āsavas (bezoedelingen, vervuilingen) opwekken, die mensen binden aan samsara. Dit maakt onderzoek naar de relatie tussen karma en sociale rechtvaardigheid hachelijk, want zelf veroorzaker van ‘slecht karma’. In plaats van te speculeren over iets dat onontwarbaar en onoverzichtelijk is, kunnen we beter ons korte leven en onze beperkte energie steken in juist handelen, suggereert Gerolf T’Hooft in ‘De dharma als medicijn.’

Vaardig middel

Waarom zo moeilijk doen? Het doel van de karmaleer is het bevorderen van (moreel) juist gedrag. Misschien is deze leer een ‘vaardig middel’ van de Boeddha om zijn toehoorders (onder andere brahmanen) te laten ‘omdenken’. Voor hen die dat niet kunnen, zijn er altijd nog de ‘stok’ van de wedergeboorte en de ‘wortel’ van nirvana.

Han de Wit (2014) schrijft over Boeddha’s modus operandi: ‘…hij begon de bestaande begrippenkaders en denkpatronen, waarmee de mensen in zijn tijd vertrouwd waren op te rekken in de richting van zijn visie, als het ware te infiltreren. … Vanuit zijn ontwaakte staat keerde hij bestaande termen eens om en om en onderzocht ze op hun mogelijkheden om zijn visie, zij het ook voorlopig en onvolledig, mee uit te drukken.’

De Boeddha was duidelijk over karma, maar de praktijk blijkt sterker dan de leer. De precieze werking van karma is onontwarbaar en mogelijk is de leer een vaardig middel. Het is dan ook constructiever om de oorspronkelijke vraag, 'Wat is de relatie tussen sociale rechtvaardigheid en karma?', te herformuleren in: Wat is de relatie tussen ‘juist handelen’ en sociale rechtvaardigheid? Een andere vraag zou dan zijn: Wat is de relatie tussen compassie en sociale rechtvaardigheid?

Beantwoording van dit soort vragen is voer voor (boeddhistische) academici en een interessant onderwerp voor conferenties. Maar vooral is het werk in uitvoering voor ons allemaal, want ‘juist handelen’ is vooral iets om te doen.  

Bronnen
T. Adam. Buddhism, Equality, Rights. Journal of Buddhist Ethics. volume 20, 2013
Baets, A. Karma in de tijd van de Boeddha, Vrienden van het Boeddhisme, Lente 2014
J. Blumenthal. Towards A Buddhist Theory of Justice. Journal of Global Buddhism, volume 10, 2009
Buddhism and Social Justice, Complete research proposal. Leiden: Buddhist Studies, 2014





Terug naar Artikelen