Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 10 augustus 2014
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Karma en de dood van God

Erik Hoogcarspel

Your Karma
og niet zolang geleden vroeg iemand zich tijdens een bijeenkomst van filosofen hardop af of er in de westerse filosofie zoiets bestaat als karma. Niemand had een antwoord, de meesten vonden het een vreemde vraag. Toch is het woord al aardig ingeburgerd. Het komt zelfs voor als naam voor restaurants, een auto en nog veel meer. Het woord komt uit India, je zou het zelfs kunnen beschouwen als een soort cultureel erfgoed. Het is ook een soort schaamlap voor sociale ongelijkheid en uitbuiting, zoals bij ons eens God en nu de economie. Dit is de reden waarom sommige moderne boeddhisten het begrip liever helemaal willen afschaffen.

De Boeddha heeft het begrip echter geadopteerd en gebruikte het geregeld zonder zich echter een voorstander te tonen van sociale ongelijkheid, integendeel zelfs. Je zou je dus kunnen afvragen of iedereen wel hetzelfde bedoelt met het woord. Ik zal eerst proberen dit te onderzoeken door middel van twee filosofische methodes: deconstructie en genealogie.

Deconstructie van het begrip karma

Een deconstructie is een uitleg waarbij je probeert te ontdekken welke vooronderstellingen in een begrip verborgen liggen. Mochten de vooronderstellingen van het begrip karma met westers filosofische traditie onverenigbaar zijn, dan is er geen karma in de westerse filosofie denkbaar, anders wel.

De 4e eeuwse boeddhistische filosoof Vasubandhu schrijft in zijn Abhidharmakośa (hoofdstuk 4.1) dat ‘de verscheidenheid van de levende wezens door karma is ontstaan’. Concreet gezien betekent dit dat slechte omstandigheden, bijvoorbeeld de hongersnood en ziekten op het Afrikaanse continent, het gevolg zijn van het karma van de Afrikanen. Het begrip karma ontkent dus dat dit soort omstandigheden toevallig zijn. Het universum is in zekere zin rechtvaardig, want je oogst wat je zaait.

Bovendien het wordt nauw verbonden met de leer van wedergeboorte. In het Westen vinden we dit bij de 2e eeuwse Romeinse filosoof Plotinus. Hij is ervan overtuigd dat mensen automatisch, dus zonder ingrijpen van een god, als dieren geboren worden als vergelding voor slechte daden. Dit klinkt misschien logisch, maar Plotinus legt niet uit hoe dit nu precies in zijn werk gaat.

Waarom zou de wereld rechtvaardig zijn? In het Westen bestaat er een eeuwenlange discussie over de theodicee, de vraag hoe het mogelijk is dat een god die het beste met de mensen voor heeft en alles kan, zo’n ellendige wereld heeft geschapen.

De filosoof Leibniz gaf als antwoord dat er geen betere wereld mogelijk is. Dit klinkt niet bepaald overtuigend, maar als hij een beroep had kunnen doen op het karma zou het verhaal gered zijn. God heeft dan immers de ellende niet gewild, de mensen hebben het er zelf naar gemaakt! De wereld die door God is geschapen, zit dan rechtvaardig in elkaar, als je vergelding tenminste voor rechtvaardigheid wilt verslijten.

Immanuel Kant ging in de 18e eeuw nog een stapje verder: in zijn Kritik der praktischen Vernunft legt hij uit dat God zelfs nodig is om de wereld rechtvaardig te laten zijn. God is volgens hem een onvoorstelbaar principe dat zorgt dat booswichten in het hiernamaals gestraft en goede mensen beloond worden, met andere woorden God is karma.

Het principe van karma past heel goed in het westerse denken. Het lijkt veel op het godsbegrip en kan zelfs als aanvulling dienst doen. Het is echter geen natuurkundig proces, het gaat boven de waarneembare werkelijkheid uit, het is metafysisch.

Nu is metafysica in het Westen nogal onder vuur komen te liggen. Wetenschap verklaart de wereld uit de wereld en niet uit iets hogers. We leren tegenwoordig op school dat de verscheidenheid van wezens door evolutie is ontstaan, d.w.z. door toevallige variaties van soorten die zich met verschillend succes kunnen handhaven onder toevallig veranderende omstandigheden. Het toeval is weer helemaal terug.

Nietzsche
Nietzsche heeft ons met de neus op de feiten gedrukt. God is dood, ongeloofwaardig geworden door de wetenschap en het karma kan samen met God naar de Efteling. Als we nu door wetenschappelijk onderzoek proberen te achterhalen hoe de nood in Afrika is ontstaan, vinden we geen karma, maar feitelijke oorzaken en toeval. Juist daarom is het onze menselijke plicht om de Afrikanen te helpen.

Je kunt niet zeggen dat karma een soort wetenschappelijk wet is. Karma is immers nooit bewezen en bovendien niet falsifieerbaar. Je kunt alles aan karma toeschrijven, zoals alles ook de wil van God is, en bovendien is het een excuus om de andere kant op te kijken. Wie zou tegen een Afrikaanse vluchteling kunnen zeggen: ‘Al jouw ellende is niets anders dan je eigen karma dat je zelf moet uitwerken. Ik zou je wel willen helpen, maar dan krijg je hier in een volgend leven opnieuw mee te maken!’

Welkom in het sadistisch universum van de karmaleer!

Genealogie van het begrip karma

De deconstructie levert dus een hoop tegenstellingen op en lijkt geen recht te doen aan het rechtvaardigheidsgevoel dat op een of andere manier toch bij het begrip karma een rol speelt. Laten wij daarom proberen de historische lagen van het begrip te ontwarren. Het woord duikt het eerst op in de vedische literatuur en betekent daar oorspronkelijk ‘werk’ of ‘operatie’. Het wordt namelijk gebruikt om het grote gemeenschappelijke offer aan te duiden, dat voor het welzijn van een sponsor en de stam werd gehouden en dat verschillende dagen en nachten kon duren.

Dit offer dwong de goden om zich te bekommeren om het welzijn van de mensen. Als het offer foutloos werd uitgevoerd, kon de werking ervan niet uitblijven. Deze werking werd ook aangeduid met de term karma. Dit is dus geen oorzakelijkheid. Oorzaak en gevolg spelen een rol bij praktische zaken, zoals het bouwen van het altaar, het brandend houden van het vuur, enzovoort. Het karma is de magische effectiviteit van het offerritueel.

Upanishad, manuscript
Na verloop van tijd begon men aan te nemen dat niet alleen rituele, maar ook dagelijkse handelingen een zekere magische werking hadden en dat daarmee vele lotgevallen konden worden verklaard. Dit vinden we al in de Upanishaden, bijvoorbeeld in de Bṛhadāraṇyaka Upanishad:

‘Zoals men zich heeft gedragen zo wordt men geboren. De weldoener krijgt een goede geboorte, de slechterik een slechte. Je wordt verheven door goede werken en laag door slechte. Daarom zegt men: een mens bestaat geheel uit begeerte, zijn geest wordt door zijn begeerte bepaald en zijn handelen door zijn geest; daarvan plukt hij de vruchten.’ (Boek 2, 2)

De Boeddha heeft het idee van karma niet uitgevonden, maar gewoon overgenomen uit teksten die tijdens zijn leven al veel werden geciteerd, omdat het een min of meer vanzelfsprekend onderdeel was geworden van het wereldbeeld. Hij zag het echter als een factor naast de gewone oorzakelijkheid.

In Samyutta Nikaya 36.21 noemt de Boeddha de factoren op die bij ziekte een rol kunnen spelen. Dat zijn er heel wat: verstoring van slijm, wind of gal, of een combinatie daarvan (dus medische oorzaken), het weer, onverstandig gedrag, verwondingen en karma. Karma is hier dus niet de enige factor, maar bestaat naast de gebruikelijke oorzaken.


Karma volgens de Boeddha

‘Steeds opnieuw zou een monnik moeten overdenken dat hij bestaat uit karma, dat karma zijn erfenis is, zijn inbedding, zijn familie, zijn toevlucht, dat hij het karma dat hij teweegbrengt, goed of kwaad, zal erven.’ (Anguttara Nikaya X.48, ‘Dasadhamma Sutta’; eigen vertaling van de Engelse vertaling uit het Pali door Piyadassi Thera.)

In zijn boek What the Buddha thought merkt Richard Gombrich op dat de Boeddha de brahmaanse betekenis van het begrip karma met een heel eigen betekenis gebruikt. Hij herdefinieert karma namelijk niet als ritueel gevolg, maar als motivatie, cetanā. Dat is nogal een verschil! Karma heeft dan geen betrekking op de omstandigheden waarin je je bevindt, maar op de manier waarop je ermee omgaat. Het is geen magische werking, maar een psychologische oorzaak.

Bovendien staat het dan los van wedergeboorte. Er zijn boeddhistische leraren en boeddhologen die ontkennen dat de Boeddha ooit iets over wedergeboorte heeft gezegd. Dit is een ingewikkelde discussie waar ik hier niet verder op in kan gaan.

Je zou dus het woord ’karma’ in bovenstaande soetra kunnen vervangen door ‘motivatie’ of ´bedoeling´ en dan wordt duidelijk dat de Boeddha met karma iets bedoelt dat we dagelijks ervaren, vooral zij die regelmatig mediteren.

Telkens als we ons ergens druk over maken, ons ergens over opwinden of ergens bezorgd over zijn, ontstaat er een indruk in onze geest die onze gedachten op vaak ongelegen momenten beïnvloedt. Het ik dat mediteert ‘erft’ de boosheid van het ik dat de dag ervoor ruzie heeft gemaakt. Bovendien kun je je karma zelf verbeteren door goede voornemens. Als je besluit ernaar te streven je begeertes op te heffen in plaats van ze na te jagen, ziet de wereld er direct heel anders uit.

Vasubandhu
Dit is in een deel van de boeddhistische traditie over het hoofd gezien. Vasubandhu, die gepokt en gemazeld was in de vedische traditie, vatte het begrip karma in vedische zin op als zelf veroorzaakt noodlot. De Boeddha is echter niet uit op metafysische speculatie over de vraag naar de oorsprong van het leed, maar stelt een oplossing voor. Dat is het opheffen van begeerte, de derde Edele Waarheid, en niet het uitzitten van het karma van vorige levens. Als je een pijl in je oog hebt, wil je niet in de eerste plaats weten waar die pijl vandaan komt (van vorige levens?), maar hoe je die pijl (het bestaansleed) eruit krijgt.

Als we dus willen weten of het boeddhistische begrip karma in het Westen voorkomt, dan moeten we zoeken naar ideeën over wat motivatie met mensen doet.

Motivatie

Hoe wordt er in het Westen gedacht over de invloed van motivatie op de menselijke geest? Hilde Debacker heeft in 2010 een onderzoek gedaan naar de overeenkomsten tussen het boeddhisme en de antiek-Griekse filosofische school de Stoa. In haar proefschrift laat ze zien dat er veel overeenkomsten zijn.

Het handboek van de stoïcijn Epictetus begint bijvoorbeeld met de vaststelling: ‘Van al het bestaande hebben wij sommige dingen in onze macht en andere niet. In onze macht hebben wij onze meningen, ons streven en onze begeerte en afkeer. Al deze dingen kunnen wij zelf veranderen.’ En even later: ‘Bij alles wat je aandacht trekt, hetzij omdat het belangrijk is, hetzij omdat je er plezier in hebt, is het goed je af te vragen wat het werkelijk is. Begin bij de kleinste dingen. Als je gesteld bent op een paar schoenen, bedenk dan: “Ik ben gesteld op een paar schoenen.” Want wanneer de schoenen versleten zijn, zul je niet in verwarring worden gebracht.’

De nadruk op de juiste motivatie van de Stoa komt onder andere terug in de plicht-ethiek van Kant, die benadrukte dat je moet handelen uit plichtsbesef en niet uit egoïstische motieven. Het is niet toevallig dat de Thaise leraar Buddhadhāsa op dezelfde manier over karma sprak. Dit staat wel haaks op het advies van veel boeddhistische leraren om te handelen met het egoïstische motief om veel goed karma te verzamelen.

De Stoa adviseert dat je je noodlot moet aanvaarden, zelfs omarmen (amor fati), omdat het nu eenmaal bij jou hoort. Het is datgene wat je moet aanvaarden omdat je er niets aan kunt veranderen. De grote verandering is dat je door je lot te omarmen, er meester van wordt in plaats van slachtoffer.

Epictetus
Vasubandhu staat erop dat dit noodlot de rijping is van je karma. Hij moet dus verklaren hoe het komt dat intenties veranderen in uitwendige omstandigheden. Dit doet hij door middel van het yogacāra-model. De intentie of bedoeling van een handeling of ervaring zet zich vast in een persoonlijk ‘opslagbewustzijn’ (ālayavijñāna) in de vorm van een ‘zaadje’ (bija) dat ons, als de gelegenheid zich voordoet, ongemerkt aanzet tot een nieuwe handeling of ervaring.

De omstandigheden waarin we ons bevinden zijn dus niets anders dan het afspelen van series onderbewuste sporen van intenties uit het verleden, ze zijn een projectie van ons eigen bewustzijn. Daarom kan Vasubandhu schrijven: ‘Er bestaat niets anders dan karma en de rijping ervan.’

Het idee dat de werkelijkheid een projectie is van je eigen of een algemeen bewustzijn, komt ook in het Westen voor; het wordt door filosofen ‘idealisme’ genoemd, niet te verwarren met de andere betekenis: het geloof in idealen. Het wordt onder andere verdedigd in het boek van Arthur Schopenhauer (1788-1860) met de titel ‘De wereld als wil en voorstelling’. Idealisme is echter een metafysische speculatie, net als materialisme. Het is steeds meer een hobby van hen die zich met de geschiedenis van de filosofie bezighouden.

Het onderbewuste

Freud, indirect geïnspireerd door Schopenhauer, zou later van een ‘onderbewuste’ spreken. Zijn leer van de psychoanalyse, dus de analyse van onderbewuste drijfveren, wordt niet meer in zijn geheel aanvaard, maar het is wel duidelijk geworden dat er veel in onze geest gebeurt waarop we weinig vat hebben. Ervaringen (van ons eigen handelen of van dat van anderen) slaan neer in ons onderbewuste en die zetten ons aan tot een bepaalde houding tegenover anderen.

We krijgen sneller ruzie met iemand waar we eerder conflicten mee hebben gehad, omdat zowel de ander als wij ons daar onbewust op instellen. Wie veel ruzie heeft gemaakt, kan een algemene vijandige of angstige houding ontwikkelen tegenover iedereen. Blijkbaar verschillen bovendien de indrukken van elkaar naarmate ze vaker herhaald worden of krachtiger zijn. Een indringend voorbeeld hiervan zijn oorlogstrauma’s.

Freud met divan
Freud dacht dat de onbewuste drijfveren hun macht over je verliezen als je ze bewust maakt. Dit heeft geleid tot allerhande therapieën die erop gericht zijn om je bepaalde vroegere ervaringen te laten herbeleven.

In het boeddhisme wordt juist afgeraden ervaringen opnieuw te ondergaan, maar daarentegen er afstand van te nemen en ze los te laten. Daarom wordt aangeraden om bijvoorbeeld gedachten aan een ruzie die tijdens een meditatie opkomen, te herkennen als gedachten, ze eventueel te benoemen en ze vervolgens los te laten. Als je op je meditatiekussen opnieuw zou gaan zitten ruziën, zou dat immers opnieuw sporen achterlaten in je opslagbewustzijn.

Conclusie

Is er karma in het Westen? ‘De dood van God’, waarmee metafysische speculaties hebben plaatsgemaakt voor wetenschappelijk onderzoek, heeft een karmaleer als die van Vasubandhu verbannen naar sektarische krochten waar gelovigen elkaar met fantastische verhalen schrik proberen aan te jagen. Er is toeval in de wereld, shit happens en soms kan niemand daar wat aan doen.

Bovendien is de leer van wedergeboorte niet meer zo vanzelfsprekend, zelfs niet in India. Wetenschappelijk gezien is het zelfs onmogelijk: er zijn te veel mensen om aan te nemen dat ook vroeger iedereen als mens herboren werd en er zijn er te weinig om aan te nemen dat je ook als dier kan worden herboren. Er bestaan alleen al biljarden insecten op de wereld.

Het karma zoals de Boeddha dit bedoelde, psychologische en sociale oorzakelijkheid, is echter nog steeds een belangrijk element van onze leefwereld, al hebben psychologen en filosofen daar andere woorden voor bedacht.  

Bronnen
Anguttara Nikaya X.48, Dasadhamma Sutta, vert. Piyadassi Thera
Bṛhadāraṇyaka Upanishad
H. Debacker. Het stoïcisme als spirituele levenskunst? Spirituele oefeningen en omvorming in de Romeinse Stoa, getoetst aan gelijklopende oefenpraktijken in het Theravāda-boeddhisme. (Doctoraatsonderzoek Vrije Universiteit Brussel, 4 februari 2010. Zie voor een samenvatting http://www.vub.ac.be/sites/vub/files/201002041a.pdf)
R. Gombrich. What the Buddha thought. London: Equinoxe, 2009.
Samyutta Nikaya
A. Schopenhauer. De wereld als wil en voorstelling. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2012, vert. H. Driessen.





Terug naar Artikelen