Magazine van de stichting Vrienden van het Boeddhisme - 15 september 2014
WELKOM TEKSTEN ARCHIEF STICHTING CONTACT LINKS ZOEKEN
Artikelen Nieuwsberichten Beschouwingen

Boeddhistisch sport kijken

Guus van Holland


en sportzomer zoals die zich de afgelopen maanden aan mij ontvouwde, heeft me veel energie gekost. Zenuwslopend was het: een voortdurende strijd tussen afkeer en overgave. Met terugkerende vragen als: wat gebeurt er toch met mij, waarom raakt dit me zo, waarom ben ik tegen die en voor die ander?

Gespannen zag ik hoe er bij het voetballen, wielrennen, tennissen en golfen op leven en dood wordt gejaagd op onbegrensde euforie en onherroepelijk succes. Wat leveren mijn mediteren (observeren van gewaarwordingen) en contempleren (op zoek gaan naar gewaarwordingen) op na weer zo'n opwindende rapportage? Wat betekent het boeddhist te zijn in dit jachtige, vermoeiende leven?

Mijn lichaam en geest bezorgden mij een onaangenaam gevoel. Spanning die leidde tot rusteloosheid. Soms durfde ik niet te kijken. En als ik dan toch keek, bevroor aanvankelijk mijn zenuwgestel. Ik sprak mezelf toe: blijf rustig, er gebeurt niets ernstigs, laat het maar komen, het gaat toch weer weg. Ook hoorde ik een stemmetje: toe maar, leef maar mee, het mag, laat je gaan, het is echt fijn erbij te horen.
Sport op tv

Zo werd de sportzomer een worsteling. Bij de ene sport meer dan bij de ander, al naar gelang commentatoren en media de grenzen van opwinding opzochten of overschreden. Analyses beluisterde en las ik al snel niet meer. Op het televisietoestel zette ik het geluid uit. Niet meer dat overbodige, vaak allerminst neutrale, mij te subjectieve commentaar. Ik zag het bij de meeste sporten zelf wel, ik wilde het op mijn manier ondergaan. Met zintuigen die alleen mij toebehoren.

Zo onderging ik het allemaal in betrekkelijke stilte – vaak was ik alleen. Observatie vanuit een uitkijktoren onder een blauwe hemel, geen wolkje te zien. Met een panoramablik, of helikopterview, die mij meer kon vertellen over het spel en de jachtpartijen op het beeldscherm dan met toegevoegde mededelingen of commentaren. Wat ik zag en beleefde, was alleen van mij.

Ik liet me verrassen, kon me verwonderen - al bleef het verlangen naar meer (een fraai doelpunt of een oogstrelende actie bij voetbal, een demarrage bij wielrennen, een ongekende slag bij golf en tennis) aanwezig. Daarom kijk ik immers naar sport, ben ik erdoor gefascineerd: iets zien wat mij nog niet eerder is opgevallen, wat me raakt. Het is een verlangen naar nieuwe inzichten en vergezichten. Ja, dat is begeerte, maar zolang het geen grenzeloze begeerte is, kan ik het aan.

Mindful observeren. Zo benoem ik de wijze waarop ik naar sport heb leren kijken. Het geeft een nieuwe dimensie aan mijn observaties. Een nieuw geestverruimend middel. Anders zien en horen, anders beleven.

Het herinnert me aan mijn jeugdvriend Marius, die in een tuinhuisje naast het woonhuis van zijn broer leefde. We luisterden vaak samen naar muziek, soms onder het genot van een pijpje hasj om de muziek een andere (extra) lading te geven. Op een avond kwam ik weer bij hem op bezoek. Hij had een plaat opstaan. Ik merkte dat de langspeelplaat te langzaam draaide: langzamer dan 33 toeren. Mogelijk door slijtage aan zijn platenspeler. Ik maakte daarover een opmerking, waarop Marius met een mysterieuze glimlach zei: ‘Ja, het is wat anders. Mooi hè?’

Nadat we een uurtje zwijgend hadden geluisterd naar deze ‘nieuwe plaat’, keek Marius me bloedserieus aan. ‘Ik weet wat boeddhisme is’, zei hij. Ik had weleens van boeddhisme gehoord, maar had me er nooit vragen bij gesteld. ‘Dit is boeddhisme’, zei hij. ‘Deze gewaarwording.’ En hij gaf een verklaring. Zo naar muziek luisteren, op een andere manier luisteren. Iets op een manier ondergaan die niet gebruikelijk is, die je niet is aangeleerd of opgedrongen omdat het moet.

Wat dat nu met boeddhisme te maken heeft, begreep ik niet. Zijn theorie had toch niets met geloven of met religie te maken. ‘Juist wel’, vond Marius. ‘Je gelooft in wat je ziet, hoort of ruikt, wat je beleeft. Je gelooft niet in wat je hebt van horen zeggen. Je vindt het niet mooi, omdat anderen zeggen dat het mooi is. Je vindt het helemaal alleen zelf mooi. Boeddhisme is het ontwikkelen van je eigen geest.’
Allan Ginsberg

Zoiets zei hij. En hij haalde er Allan Ginsberg bij. Later zou Ginsberg boeddhist worden, niet Marius. Want die overleed op jonge leeftijd, mede omdat hij in het ontwikkelen van zijn eigen geest te ver ging.

Marius was geen sporter. Ik herinner me alleen dat hij in een tarzanbroekje in het zwembad verscheen en later vrienden kreeg die iets met oosterse gevechtssporten deden. Dat ik sportverslaggever werd verbaasde hem niet. Hij vroeg zich alleen dingen af. ‘Hoe doe je dat dan? Wat doe je dan? Ga je gewoon kijken en schrijf je dan op wat je gezien hebt? Lijkt me leuk. Schrijven wat jij gezien hebt. Niet schrijven wat anderen gezien hebben en ervan vinden. Dat zo’n beroep bestaat, sportverslaggever.'

Ik ben vooral recensent, antwoordde ik. Zoals er ook muziekverslaggevers zijn, literatuur- en kunstverslaggevers. Zij brengen verslag uit van wat zij beluisterd, gelezen en gezien hebben. Verslaggevers die hun eigen inzicht raadplegen en dat op schrift stellen. Zij schrijven net als ik een recensie, met een analyse en interpretatie - een subjectieve beoordeling dus.

Ik had graag met Marius deze sportzomer beleefd. Niet gestoord door de stem van een verslaggever die ons deelgenoot maakt van zijn visie. In stilte iets ondergaan op een manier die je niet is aangeleerd of opgedrongen. Kijken naar sport alsof je mediteert, alsof je de gewaarwordingen slechts observeert, zonder oordeel. Het biedt iets anders, iets nieuws. En dat geeft (mij) rust. Marius zou zeggen: ‘Mooi hè? Boeddhistisch naar sport kijken.’  

Guus van Holland was 35 jaar sportjournalist, achtereenvolgens voor de Volkskrant en NRC Handelsblad. Hij is vriend van Shambhala Leiden.





Terug naar Artikelen